zwijgrecht
zwijgrecht

U hebt het recht om te zwijgen … maar als u uw zwijgrecht gebruikt, riskeert u daarvoor wel tot vijf jaar gevangenisstraf

6 FEBRUARI 2020

In ons bericht van 5 oktober 2017 (kan een verdachte gedwongen worden een smartphone of pc te ontgrendelen) hadden wij het over de vraag of een verdachte verplicht kan worden om een digitaal apparaat te ontgrendelen of om de pincode of het wachtwoord op te geven dat nodig is om het toestel te gebruiken. In dat bericht kwamen wij tot de conclusie dat, in afwachting van duidelijke rechtspraak hierover van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), de volgende uitgangspunten ons juist leken te zijn:

  • De verplichting om een wachtwoord op te geven, komt feitelijk neer op de verplichting om een verklaring af te leggen. Dat is dus verboden want in strijd met het zwijgrecht.
  • De verplichting om zelf het wachtwoord in te geven in het computersysteem, komt neer op dwang tot het stellen van een handeling die afhankelijk is van de vrije wil. Het wachtwoord is namelijk enkel gekend in de geest van de verdachte en bestaat niet los van zijn vrije wil. Deze verplichting is dus wellicht verboden want in strijd met het beginsel nemo tenetur.
  • De dwang gebruikt om een computersysteem te ontgrendelen via biometrie (bijv. door de vinger van de verdachte onder dwang op het toestel te plaatsen) lijkt mogelijk omdat de biometrische gegevens los staan van de vrije wil van de verdachte. Deze categorie kan wel de meeste problemen opleveren. Wat bijv. met Face ID? Kan de verdachte gedwongen worden de ogen open te houden of is ook dat afhankelijk van de vrije wil?

In een arrest van 4 februari 2020 (P.19.1068.N) heeft het Hof van Cassatie echter anders beslist. Met name werd geoordeeld dat een verdachte die de toegangscode tot een informaticasysteem kent (bijv. zijn eigen gsm-toestel), maar weigert die op te geven ondanks een daartoe strekkend bevel van de onderzoeksrechter, strafbaar is. Dit arrest werd onmiddellijk opgepikt door de media (zie onder meer dit artikel op vrt NWS).

Het arrest van 4 februari 2020

In de zaak die aanleiding gaf tot het arrest van 4 februari 2020, waren er aanwijzingen dat de verdachte drugs kwam verkopen in België. Hij beschikte over twee gsm-toestellen, waarvan hij weigerde de toegangscode te geven ondanks een bevel daartoe van de onderzoeksrechter. Naar aanleiding daarvan werd hij vervolgd wegens die weigering, op grond van artikel 88quater, §1 en §3 van het Wetboek van Strafvordering. Het hof van beroep te Gent besliste echter tot vrijspraak bij arrest van 15 oktober 2019, aangezien het oordeelde dat de verplichting opgelegd aan de verdachte onverenigbaar is met het zwijgrecht en het verbod van gedwongen zelfincriminatie. Tegen deze beslissing werd vervolgens cassatieberoep aangetekend door het openbaar ministerie.

Het Hof van Cassatie verduidelijkt vooreerst dat op grond van de hiervoor vermelde bepalingen, onder meer een verdachte strafbaar is als hij weigert de toegangscode van een gsm-toestel mee te delen ondanks een daartoe strekkend bevel van de onderzoeksrechter. Gepreciseerd wordt wel dat dan vereist is dat de opsporings- of onderzoeksinstantie op het moment van de gevraagde informatie het toestel reeds heeft opgespoord zonder het gebruik van dwang op de persoon en dat de vervolgende instantie aantoont dat de bedoelde persoon zonder redelijke twijfel de toegangscode kent (randnummer 3 van het arrest).

Ook het zwijgrecht, het verbod van gedwongen zelfincriminatie en het vermoeden van onschuld kunnen dus volgens het Hof van Cassatie geen beletsel vormen om een verdachte te bestraffen wegens de weigering om een wachtwoord of pincode op te geven van een gsm (of bij uitbreiding, van een tablet, een pc, of eender welk digitaal toestel).

Volgens het Hof van Cassatie verzet geen enkele verdragsbepaling of algemeen rechtsbeginsel zich tegen een dergelijke strafbaarstelling. Ook het zwijgrecht, het verbod van gedwongen zelfincriminatie en het vermoeden van onschuld kunnen dus volgens het Hof van Cassatie geen beletsel vormen om een verdachte te bestraffen wegens de weigering om een wachtwoord of pincode op te geven van een gsm (of bij uitbreiding, van een tablet, een pc, of eender welk digitaal toestel).

Het Hof van Cassatie voegt er verder aan toe dat daarbij onder meer rekening te houden is met wat volgt (randnummer 8):

  • het recht zichzelf niet te incrimineren en het vermoeden van onschuld zijn niet absoluut en moeten worden afgewogen tegenover andere rechten zoals het recht op vrijheid en veiligheid gewaarborgd door artikel 5 EVRM en het verbod op rechtsmisbruik vermeld in artikel 17 EVRM;
  • het recht zichzelf niet te incrimineren strekt in de eerste plaats ertoe het recht op een eerlijk proces te vrijwaren door het uitsluiten van onjuiste verklaringen die onder dwang zijn afgelegd;
  • de toegangscode tot een informaticasysteem bestaat onafhankelijk van de wil van de persoon die kennis heeft van die code. Deze laatste blijft onveranderd ongeacht de mededeling ervan en komt in aanmerking voor onmiddellijke controle. Er bestaat geen risico op onbetrouwbaar bewijsmateriaal;
  • de toegangscode is neutraal en te onderscheiden van de eventueel incriminerende gegevens die door middel van het informaticasysteem te achterhalen zijn;
  • de gevraagde informatie, ook al is de mededeling ervan strafbaar met aanzienlijke gevangenisstraffen, en het gebruik van die informatie is beperkt. Zij slaan enkel op de toegangscode van een reeds opgespoord informaticasysteem dat zonder de gevraagde informatie onleesbaar is. Bovendien moet worden aangetoond dat de beklaagde die code kende. Het recht van de beklaagde om ten volle zijn verdediging te voeren over de achterhaalde gegevens blijft onverlet;
  • de huidige stand van de technologie maakt het zeer moeilijk tot zelfs onmogelijk om toegang te verkrijgen tot een informaticasysteem dat beschermd is door een versleutelingsapplicatie, terwijl dergelijke applicaties algemeen verkrijgbaar zijn.

De beslissing en de hoger geciteerde overwegingen van het Hof van Cassatie zijn volgens ons, zoals hierna zal worden toegelicht, op verschillende vlakken voor kritiek vatbaar.

Bedoeling van de wetgever

Eerst en vooral kan men zich de vraag stellen of het strafbaar stellen van een verdachte die weigert de pincode of het wachtwoord van zijn gsm-toestel mee te delen, wel in overeenstemming is met de wil van de wetgever. In het arrest van 4 februari 2020 wordt enkel melding gemaakt van de paragrafen 1 en 3 van artikel 88quater van het Wetboek van Strafvordering, maar niet van §2.

Laat ons voor alle duidelijkheid even de drie bewuste paragrafen citeren:

§ 1
De onderzoeksrechter, of in zijn opdracht een officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings en van de arbeidsauditeur, kan aan eenieder van wie hij vermoedt dat hij een bijzondere kennis heeft van het informaticasysteem dat het voorwerp uitmaakt van de zoeking of de uitbreiding ervan bedoeld in artikel 88ter of van diensten om gegevens die worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen door middel van een informaticasysteem, te beveiligen of te versleutelen, bevelen inlichtingen te verstrekken over de werking ervan en over de wijze om er toegang toe te verkrijgen, of in een verstaanbare vorm toegang te verkrijgen tot de gegevens die door middel daarvan worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen. De onderzoeksrechter vermeldt de omstandigheden eigen aan de zaak die de maatregel wettigen in een met redenen omkleed bevelschrift dat hij meedeelt aan de procureur des Konings of aan de arbeidsauditeur.
§ 2
De onderzoeksrechter, of een door hem afgevaardigd officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings en van de arbeidsauditeur, kan iedere geschikte persoon bevelen om zelf het informaticasysteem te bedienen of de ter zake dienende gegevens, die door middel daarvan worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen, naargelang het geval, te zoeken, toegankelijk te maken, te kopiëren, ontoegankelijk te maken of te verwijderen, in de door hem gevorderde vorm. Deze personen zijn verplicht hieraan gevolg te geven, voorzover dit in hun mogelijkheden ligt.
Het bevel bedoeld in het eerste lid kan niet worden gegeven aan de verdachte en aan de personen bedoeld in artikel 156.
§ 3
Hij die de in §§ 1 en 2 gevorderde medewerking niet verleent of de zoeking in het informaticasysteem of de uitbreiding ervan hindert, wordt gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en met geldboete van zesentwintig euro tot twintigduizend euro of met een van die straffen alleen.
Wanneer de medewerking bedoeld in het eerste lid de uitvoering van een misdaad of een wanbedrijf kan verhinderen, of de gevolgen ervan kan beperken, en deze medewerking niet verleend wordt, zijn de straffen een gevangenisstraf van één tot vijf jaar en een geldboete van vijfhonderd tot vijftigduizend euro.

Art. 88quater, §2 van het Wetboek van Strafvordering, dat dus niet in het arrest van 4 februari 2020 aan bod komt, voorziet in de mogelijkheid om bepaalde personen te verplichten om mee te werken aan een zoeking in een informaticasysteem door zelf het systeem te bedienen. Het gaat hier dus niet om het opgeven van een pincode of een wachtwoord, maar om het eigenhandig ingeven van die login of dat wachtwoord. De weigering dat te doen, is strafbaar. De wet bepaalt echter uitdrukkelijk dat een dergelijk bevel niet kan worden gegeven aan de verdachte of zijn familieleden (namelijk de bloedverwanten in de opgaande of de nederdalende lijn, de broers en zussen of aanverwanten in dezelfde graad, en de vrouw of man, zelfs na echtscheiding). De wetgever vond dus duidelijk dat een verdachte of zelfs zijn naaste familieleden niet kan worden verplicht om een gsm of een ander toestel zelf te ontgrendelen. Zou de wetgever dan wel gewild hebben dat de verdachte kan worden verplicht de pincode of het wachtwoord mee te delen, zodat de politie het toestel kan ontgrendelen? Daarover zal alvast het Grondwettelijk Hof zich moeten uitspreken, aangezien een prejudiciële vraag over dat onderscheid hangende is ingevolge een arrest van het hof van beroep van Antwerpen van 5 december 2018.

De wetgever vond dus duidelijk dat een verdachte of zelfs zijn naaste familieleden niet kan worden verplicht om een gsm of een ander toestel zelf te ontgrendelen. Zou de wetgever dan wel gewild hebben dat de verdachte kan worden verplicht de pincode of het wachtwoord mee te delen, zodat de politie het toestel kan ontgrendelen?

De bepaling die wel aan bod komt in het arrest van 4 februari 2020, is artikel 88quater, §1 van het Wetboek van Strafvordering. Dit bepaling voorziet in een medewerkingsverplichting voor eenieder die een bijzondere kennis heeft van het te onderzoeken systeem. Met betrekking tot die verplichting is niet uitdrukkelijk vermeld dat het bevel niet aan de verdachte of zijn familie kan worden gegeven. Maar misschien was dat ook niet nodig, aangezien de wetgever in §1 wellicht niet dacht aan de verdachte of zijn naasten, maar eerder aan softwarespecialisten, beveiligingsexperten of systeembeheerders. Het is dus maar de vraag of de wetgever de toepassing van de in §1 bedoelde medewerkingsverplichting op de verdachte ook echt gewild heeft.

Het arrest van 4 februari 2020 maakt het trouwens ook mogelijk familieleden van de verdachte te bestraffen, voor zover aangetoond kan worden dat zij de code kennen. Meer nog, zowel de verdachte als zijn familieleden kunnen bestraft worden voor het niet opgeven van de code. Familieleden kunnen dus gewrongen worden tussen de wrede keuze zelf bestraft te worden of hun naaste veroordeeld te zien worden voor het feit waarvan hij verdacht wordt. Zou de wetgever dat ook gewild hebben?

Verenigbaar met het zwijgrecht?

Belangrijker echter dan de wil van de wetgever, is de vraag of de inhoud van het arrest van 4 februari 2020 wel verenigbaar is met het zwijgrecht. Het zwijgrecht is een wereldwijd erkend beginsel dat ertoe strekt dat een verdachte het recht heeft om geen antwoord te geven op de aan hem gestelde vragen. Het recht om te zwijgen raakt de kern van het recht op een eerlijk proces, zoals onder meer gewaarborgd door artikel 6 EVRM. Het zwijgrecht is ook opgenomen in de richtlijn 2016/343 van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn. In overweging 27 van de preambule bij die richtlijn is te lezen dat het het recht om te zwijgen en het recht om zichzelf niet te belasten, impliceren dat de bevoegde autoriteiten verdachten of beklaagden niet tegen hun wil mogen dwingen informatie te verstrekken”. Wat het Belgisch recht betreft, bepaalt artikel 47bis, §2, 2) van het Wetboek van Strafvordering dat de verdachte die verhoord wordt de keuze heeft “om een verklaring af te leggen, te antwoorden op de hem gestelde vragen of te zwijgen”.

Het zwijgrecht houdt verband met het beginsel nemo tenetur. Dat houdt in dat de overheid niemand kan dwingen zichzelf te incrimineren. De overheid moet het ten laste gelegde feit dus bewijzen zonder gebruik te maken van bewijsmateriaal dat is verkregen door middel van ongeoorloofde druk of dwang die de verdachte tot loutere informatiebron degradeert en aldus afbreuk doet aan de wil van de verdachte om passief te blijven in de strafprocedure (zie onder meer EHRM 11 juli 2006, Grote Kamer, Jalloh t. Duitsland, § 100). Daarbij moet onder dwang niet enkel fysieke of ongeoorloofde psychologische druk worden begrepen. Ook de dreiging met een strafsanctie bij een weigering om mee te werken aan de bewijsverkrijging, kunnen door het EHRM immers beschouwd worden als dwang (EHRM 29 juni 2007, Grote Kamer, O’Halloran & Francis t. het Verenigd Koninkrijk, § 57).

Niet elke vorm van dwang van de overheid op de persoon van de verdachte is echter ongeoorloofd. Zo kunnen materiële bewijsmiddelen waarop de verdachte geen invloed heeft, verkregen worden door middel van dwang. Het afnemen van bloed of het uitvoeren van een speekseltest kan bijvoorbeeld gepaard gaan met dwang zonder miskenning van het beginsel nemo tenetur.

Bij het strafbaar stellen van de weigering om een pincode of een wachtwoord mee te delen, gaat het echter niet om dwang om materiële bewijsmiddelen te verzamelen, maar om dwang om de verdachte iets te doen zeggen, namelijk het wachtwoord of de pincode vereist om een toestel te ontgrendelen. In dit geval gaat het dus om informatie die enkel bestaat in het hoofd van de verdachte. Of een verdachte, die nochtans het recht heeft te zwijgen, gedwongen kan worden om toch te praten (namelijk om een antwoord te geven op de vraag wat de pincode of het wachtwoord is om een welbepaald toestel te ontgrendelen), is een veel moeilijkere vraag.

Bij het strafbaar stellen van de weigering om een pincode of een wachtwoord mee te delen, gaat het echter niet om dwang om materiële bewijsmiddelen te verzamelen, maar om dwang om de verdachte iets te doen zeggen, namelijk het wachtwoord of de pincode vereist om een toestel te ontgrendelen. In dit geval gaat het dus om informatie die enkel bestaat in het hoofd van de verdachte.

Om te weten of de hier bedoelde verplichting tot spreken al dan niet strijdig is met het zwijgrecht, moet worden nagegaan of de dwang afbreuk doet aan de wil van de beklaagde om passief te blijven in de strafprocedure. Uit de rechtspraak van het EHRM blijkt dat deze vraag beoordeeld wordt aan de hand van drie criteria, namelijk :

  • de aard en graad van de aangewende dwang
  • het bestaan van procedurele compenserende waarborgen
  • en de wijze waarop het aldus bekomen bewijsmateriaal is aangewend in de strafprocedure.

Vooral het eerste criterium is hier van belang, aangezien het EHRM in dat verband nagaat of de gebruikte dwang al dan niet leidt tot een aantasting van de kern (“the very essence”) van het zwijgrecht en het verbod van gedwongen zelfincriminatie. Analyse van de rechtspraak van het EHRM leert dat het strafbaar stellen van de weigering om te spreken in slechts enkele zaken aan bod is gekomen.

De zaak Heaney & McGuinness t. Ierland (EHRM 21 december 2000) had betrekking op de in 1939 ingevoerde beperkingen met betrekking tot het zwijgrecht bij onderzoeken naar terroristische activiteiten in de Offenses against the State Act. Daarmee werd het strafbaar om te weigeren om vragen te beantwoorden die betrekking hebben op de eigen verplaatsingen in een bepaalde periode voorafgaand aan een terroristische aanslag. Dit werd niet aanvaard door het EHRM, omdat het een schending uitmaakt van de kern van het zwijgrecht en van het verbod van gedwongen zelfincriminatie (§ 55 van het arrest).

In de zaak Shannon t. het Verenigd Koninkrijk (EHRM 4 oktober 2005) werd eveneens een schending van het EVRM vastgesteld. De verzoeker was uitgenodigd voor een verhoor inzake diefstal en valsheid in geschriften waarvan hij werd verdacht, maar hij weigerde te worden verhoord. Aangezien het niet beantwoorden van vragen van financiële inspecteurs onder de Proceeds of Crime (Northern Ireland) Order 1996 strafbaar was, werd Shannon veroordeeld tot een geldboete (200 £). De verplichting om een verklaring af te leggen over feiten waarvan men wordt verdacht, werd door het EHRM echter strijdig bevonden met het recht op een eerlijk proces (§ 41 van het arrest).

In de zaak O’Halloran & Francis t. het Verenigd Koninkrijk (EHRM 29 juni 2007, Grote Kamer) werd geen schending van het zwijgrecht vastgesteld. In die zaak ging het (wat verzoeker Francis betreft) om een veroordeling wegens het niet opgeven van de naam van de bestuurder van een wagen waarmee een snelheidsovertreding werd begaan. De veroordeling bestond uit het opleggen van een geldboete (750 £), een veroordeling tot de kosten (250 £) en drie strafpunten op het rijbewijs. Dat in deze zaak geen schending van het EVRM werd vastgesteld, werd vooral gesteund op het specifieke karakter van de verkeersreglementering. Zo was door de overheid aangevoerd dat er eigenlijk geen waardig alternatief was om snelheidsovertredingen vervolgbaar te maken en dat de bestraffing uiteindelijk maar een geldboete van maximaal 1000 £ betrof (§ 38 van het arrest). Wat dat laatste betreft, wees het Hof er inderdaad op dat de bestraffing voor het zwijgen “moderate and non-custodial” is (§ 58 van het arrest), dus laag en zonder vrijheidsberoving. Deze beslissing werd echter niet unaniem genomen. Het arrest bevat overigens twee interessante dissenting opinions, namelijk van de toenmalige rechters Pavlovschi en Myer.

Uit deze rechtspraak kan dus niet worden afgeleid dat het gebruik van een (hoge) gevangenisstraf als dwang om te spreken (zoals in het geval van artikel 88quater van het Wetboek van Strafvordering), aanvaardbaar is in het licht van het EVRM. Eerder lijkt de conclusie te moeten zijn dat enkel gebruik kan gemaakt worden van geldboete.

Verbod op rechtsmisbruik?

Aangezien het Hof van Cassatie toch tot een ander oordeel is gekomen, is de vraag of het arrest van het Hof dan overwegingen bevat die het EHRM eventueel anders zouden kunnen doen beslissen met betrekking tot de dwang om een pincode of een wachtwoord mee te delen. Zoals hoger aangegeven, wordt de beslissing van het Hof van Cassatie gestaafd door een resem preciseringen, waarvan wij de validiteit hierna trachten te beoordelen.

Een eerste precisering is dat het recht zichzelf niet te incrimineren en het vermoeden van onschuld niet absoluut zijn en moeten worden afgewogen tegenover andere rechten zoals het recht op vrijheid en veiligheid gewaarborgd door artikel 5 EVRM en het verbod op rechtsmisbruik vermeld in artikel 17 EVRM.

Wat dit betreft moet vastgesteld worden dat hier geen melding wordt gemaakt van het zwijgrecht, terwijl het in dit geval vooral net om dat recht gaat. Dat het zwijgrecht en de aanverwante rechten moeten worden afgewogen tegen de inhoud van artikel 5 EVRM, moet met enige omzichtigheid worden benaderd. In de zaak Ibrahim en anderen t. Verenigd Koninkrijk (EHRM 13 september 2016, Grote Kamer) heeft het Hof duidelijk vooropgesteld dat het publiek belang, zelfs bij de vervolging van terrorisme, geen maatregelen kan verantwoorden die de kern van het recht op een eerlijk proces aantasten (§ 252 van het arrest).

De precisering van het Hof van Cassatie dat het zwijgrecht (of de aangehaalde aanverwante rechten) moet worden afgewogen tegen de inhoud van het verbod op rechtsmisbruik vermeld in artikel 17 EVRM lijkt ons absoluut geen genade te zullen vinden bij het EHRM.

Nog veel problematischer echter, is de precisering van het Hof van Cassatie dat het zwijgrecht (of de aangehaalde aanverwante rechten) moet worden afgewogen tegen de inhoud van het verbod op rechtsmisbruik vermeld in artikel 17 EVRM. Die precisering lijkt ons immers absoluut geen genade te zullen vinden bij het EHRM.

Artikel 17 EVRM verbiedt het gebruik van verdragsbepalingen om daden en activiteiten te stellen die tot doel hebben de verdragsrechten te vernietigen of deze meer te beperken dan volgens het Europees Verdrag is voorzien. De algemene doelstelling van deze bepaling is te vermijden dat groepen of personen met totalitaire (bijv. fascistische, communistische of racistische) standpunten het EVRM zouden misbruiken voor hun eigen doelstellingen. Belangrijk is echter dat uit de rechtspraak van het EHRM duidelijk blijkt dat deze bepaling enkel mag worden toegepast in uitzonderlijke en extreme gevallen (zie bijv. EHRM 15 oktober 2015, Grote Kamer, Perinçek t. Zwitserland, § 114). Meer nog, het EHRM heeft reeds meermaals expliciet verduidelijkt dat de processuele rechten vervat in de artikelen 5 en 6 EVRM zich niet tot misbruik kunnen lenen (zie bijv. EHRM 12 juni 2012, Hizb ut-Tahrir t. Duitsland, § 85). Artikel 17 EVRM kan dus nooit toegepast worden in verband met het zwijgrecht of het verbod van gedwongen zelfincriminatie, maar slechts (zo blijkt uit de rechtspraak van het EHRM) in verband met de artikelen 8 tot en met 11, 14 EVRM en met artikel 3 van het eerste Protocol.

Doelstelling van het zwijgrecht

Een tweede redengeving die kan worden teruggevonden in het arrest van 4 februari 2020, is dat het recht zichzelf niet te incrimineren er in de eerste plaats toe zou strekken het recht op een eerlijk proces te vrijwaren door het uitsluiten van onjuiste verklaringen die onder dwang zijn afgelegd.

Opnieuw moet worden vastgesteld dat hierbij geen melding wordt gemaakt van het zwijgrecht.

De bestaansredenen van het zwijgrecht en het verbod van gedwongen zelfincriminatie zijn ruimer dan het vermijden van gerechtelijke dwalingen. Zo biedt het zwijgrecht ook immuniteit tegen ongeoorloofde druk vanwege de overheid, zorgt het ervoor dat de overheid zich vooral beroept op materieel bewijs dat niet afhankelijk is van de vrije wil van de verdachte en wordt algemeen aangenomen dat het immoreel is om een verdachte te verplichten mee te werken aan de bewijsvoering tegen zichzelf wanneer dat bewijs maar kan verzameld worden met de actieve hulp van de verdachte (zie hierover uitgebreid mijn bijdrage uit 2013 The sound of silence. Het zwijgrecht en het nemo tenetur-beginsel in strafzaken: een historisch en rechtsvergelijkend overzicht).

De bestaansreden van het zwijgrecht en het verbod van gedwongen zelfincriminatie reduceren tot het vermijden van onjuiste verklaringen, is dan ook niet zonder gevaar. Deze redenering opent immers de weg om in de toekomst inbreuken op deze rechten te tolereren als de zelfincriminerende verklaring blijkt juist te zijn wanneer deze wordt getoetst aan materieel bewijs dat enkel via de zelfincriminerende verklaring kon worden vergaard.

De bestaansreden van het zwijgrecht en het verbod van gedwongen zelfincriminatie reduceren tot het vermijden van onjuiste verklaringen, is dan ook niet zonder gevaar. Deze redenering opent immers de weg om in de toekomst inbreuken op deze rechten te tolereren als de zelfincriminerende verklaring blijkt juist te zijn wanneer deze wordt getoetst aan materieel bewijs dat enkel via de zelfincriminerende verklaring kon worden vergaard.

Stel dat een verdachte wordt verhoord en dat daarbij onaanvaardbare dwang wordt gebruikt, en dat dankzij deze afgedwongen verklaring materieel bewijs kan worden gelokaliseerd dat duidelijk aantoont dat de afgedwongen bekentenis overeenstemt met de materiële waarheid (bijvoorbeeld omdat de verdachte zegt waar hij het bewijs verstopt heeft, terwijl dat bewijs zonder de verklaring anders onmogelijk gevonden zou kunnen worden). Onder de huidige rechtspraak is een veroordeling gebaseerd op de bekentenis of zelfs louter op het materiële bewijs onmogelijk, omdat het een aantasting inhoudt van het recht op een eerlijk proces. Het materiële bewijs moet dan omwille van het causaal verband met de onrechtmatige verklaring namelijk evenzeer worden uitgesloten op basis van de leer van de fruits of the poisonous tree. Als echter de bestaansreden voor het zwijgrecht en het verbod van gedwongen zelfincriminatie enkel het vermijden van onjuiste verklaringen zou zijn, dan kan geredeneerd worden dat in dit scenario een veroordeling op basis van het materiële bewijs en zelfs op basis van de afgedwongen bekentenis perfect mogelijk is. De bekentenis is achteraf bekeken namelijk juist gebleken. Het gevaar van een dergelijke redenering is echter dat deze tot gevolg heeft dat het gebruik van dwang bij verhoren dan net zou aangemoedigd worden, terwijl dat net is wat met het zwijgrecht en het verbod van gedwongen zelfincriminatie wordt getracht te vermijden. Het reduceren van de bestaansreden van deze rechten tot het vermijden van onjuiste verklaringen, staat daarom haaks op de rechtspraak van het EHRM.

Wachtwoorden en vrije wil

Een volgende redenering in het arrest van 4 februari 2020 is de volgende: “de toegangscode tot een informaticasysteem bestaat onafhankelijk van de wil van de persoon die kennis heeft van die code. Deze laatste blijft onveranderd ongeacht de mededeling ervan en komt in aanmerking voor onmiddellijke controle. Er bestaat geen risico op onbetrouwbaar bewijsmateriaal”.

Ook deze redenering is voor kritiek vatbaar. Het wilsaspect heeft namelijk geen betrekking op de toegangscode, maar op het mededelen ervan. De code zit enkel in het hoofd van de verdachte (tenzij hij die ergens op een blaadje zou genoteerd hebben, maar dan is er ook geen verplichting tot mededeling van de code nodig). De dwang wordt dus gebruikt om een gegeven (de code) te achterhalen waarvan enkel de verdachte kennis heeft. Dat is uiteraard iets anders dan bloed of speeksel van een verdachte bekomen, want het vereist dat je de verdachte iets doet zeggen wat enkel hij weet. De beslissing om wel of niet de code op te geven, is dus geen wilsonafhankelijk gegeven.

Opnieuw gaat het trouwens om een redenering die niet zonder gevaren is, aangezien een gedachte hiermee als het ware wordt gematerialiseerd.

Opnieuw gaat het trouwens om een redenering die niet zonder gevaren is, aangezien een gedachte hiermee als het ware wordt gematerialiseerd. Laat ons om dit te illustreren even gebruik maken van een gedachte-experiment, een vaak gehanteerd overtuigingsmiddel in de filosofie waarbij wordt vertrokken vanuit een realiteit die er (nog) niet is. Stel dat het in de toekomst mogelijk wordt om een gedachte uit iemands hoofd te halen, een vorm van brainjacking dus. Dit is niet eens een onmogelijke hypothese, aangezien over de gevolgen van een dergelijke evolutie op het recht al publicaties verschenen zijn (zie bijv. R. Andorno en M. Ienca, “Towards new human rights in the age of neuroscience and neurotechnology“, Life Sciences, Society and Policy, 2017, 1-27). In dat geval kan de code onder de hoger bedoelde redenering gewoon achterhaald worden zonder hulp van de verdachte. De code bestaat immers onafhankelijk van de wil van de verdachte, men moet die enkel nog uit het hoofd halen. Men kan natuurlijk aanvoeren dat deze werkwijze strijdig is met de menselijke waardigheid, maar de hoger geciteerde redenering laat daarvoor niet zoveel ruimte. De code bestaat namelijk onafhankelijk van de wil van de verdachte, net zoals bloed of speeksel. De code is daarenboven nog vatbaar voor onmiddellijke controle.

De mogelijkheden die deze redenering biedt, houden daar echter niet op. Laat ons bijv. even terugkeren naar het voorbeeld van de verdachte die overtuigende materiële bewijzen van schuld verstopt heeft op een wijze dat deze onmogelijk zonder zijn hulp kunnen gevonden worden. De locatie van het bewijs zit dan enkel in het hoofd van de verdachte en bestaat, volgens de hoger geschetste redenering, onafhankelijk van zijn vrije wil. De locatie blijft onveranderd als hij deze meedeelt of als die uit zijn hoofd wordt gehaald. En bovendien is de locatie vatbaar voor onmiddellijke controle: het materieel bewijs ligt er of het ligt er niet. Er is geen risico op onbetrouwbaar bewijsmateriaal. Men kan natuurlijk wel aanvoeren dat het Hof van Cassatie vereist dat wordt aangetoond dat de verdachte zonder redelijke twijfel de code kent, alvorens men hem kan dwingen de code op te geven, terwijl het voorbeeld van het verstopte bewijs die kenniscomponent niet bevat. Een analoge toepassing zou dus in ons gedachte-experiment met zich brengen dat de locatie van het belastend bewijs maar uit het hoofd van de verdachte mag worden gehaald als er zonder redelijke twijfel wordt aangetoond dat hij die locatie kent. Dat is uiteraard wel een moeilijkere bewijslast dan aantonen dat iemand de code kent van een toestel waarop misschien belastend bewijs te vinden is. Het probleem met dergelijke aanvoeringslast voor de overheid, is echter dat er slechts sprake is van een post factum controle. Als de locatie van het bewijs op deze manier achterhaald wordt en het bewijs wordt er ook daadwerkelijk aangetroffen, dan is de verleiding wel erg groot om achteraf te besluiten dat voldoende was aangetoond dat de verdachte de locatie kende.

Bovendien is de grens naar een volgende stap misschien wel flinterdun. Zal in een dergelijk scenario de aanvoeringslast niet gereduceerd worden tot het aannemelijk maken dat de verdachte de locatie van het belastend bewijs kent, net zoals het voor een huiszoeking volstaat dat aannemelijk wordt gemaakt dat er in de te doorzoeken woning bewijs kan worden gevonden (waarvoor zelfs een anonieme melding volstaat)? Anders dan bij een verplichting tot medewerking waarbij de weigering tot medewerking wordt bestraft, is er hier immers geen sprake van bestraffing van de weigering om iets mee te delen waarvan men, om te kunnen bestraffen, met zekerheid moet kunnen vaststellen dat men er kennis van heeft. De verleiding lijkt daarom groot om dan ook aan te nemen dat het, om na te gaan of er in het hoofd van de verdachte een locatie van belastend bewijs aanwezig is, volstaat dat aannemelijk wordt gemaakt dat dat zo is.

En misschien is de grens om nog verder te gaan ook wel dun. Als aannemelijk wordt gemaakt (maar nog niet kan worden bewezen) dat de verdachte schuldig is, waarom dan niet meteen uit zijn hoofd halen of hij het misdrijf heeft gepleegd en wie ervan kennis heeft om een en ander te bevestigen, of welke bewijsmiddelen zijn schuld kunnen aantonen? Zijn kennis over het misdrijf is toch niet meer dan een gedachte die bestaat in zijn hoofd, onafhankelijk van zijn vrije wil, en die kan gecontroleerd worden aan de hand van de aldus bekomen gegevens?

Neutraliteit van de toegangscode

Een volgende redenering die gemaakt wordt in het arrest van 4 februari 2020, is dat de toegangscode neutraal is en te onderscheiden van de eventueel incriminerende gegevens die door middel van het informaticasysteem te achterhalen zijn.

Het is echter niet omdat een gegeven neutraal is, dat het ook toelaatbaar is een verdachte ertoe te dwingen dat gegeven, dat de overheid zelf niet kent of kan achterhalen, mee te delen.

Het is echter niet omdat een gegeven neutraal is, dat het ook toelaatbaar is een verdachte ertoe te dwingen dat gegeven, dat de overheid zelf niet kent of kan achterhalen, mee te delen. Minstens moet ook nog worden nagegaan of de aangewende dwang proportioneel is aan het belang van de maatschappij voor vervolging van de onderzochte feiten en dat is een gegeven dat niet terug te vinden is in het arrest van 4 februari 2020.

Specifiek met betrekking tot de code of het wachtwoord dat toegang verleent tot een digitaal toestel, moet worden vastgesteld dat daarmee toegang verleend wordt tot heel wat informatie (bijv. medische gegevens, bankgegevens, locatiegegevens, contacten, foto’s, mailverkeer, wachtwoorden voor andere toestellen en zelfs websites, …). Dit terwijl artikel 88quater van het Wetboek van Strafvordering kan worden toegepast bij elke inbeslagname van een digitaal toestel, dus zonder beperking wat betreft de onderzochte feiten. Dat is opmerkelijk, aangezien de wetgever voor het opvragen van bepaalde gegevens wel degelijk bepaalde grenzen noodzakelijk heeft geacht. Zo kunnen bankgegevens maar worden opgevraagd als de onderzochte feiten een gevangenisstraf van minstens een jaar tot gevolg kunnen hebben (artikel 46quater, §1 van het Wetboek van Strafvordering). Diezelfde gegevens, of toch minstens een deel ervan, kunnen via een gsm-toestel nu ook worden verkregen voor misdrijven die niet aan die voorwaarde voldoen (ook de pincode die wellicht nodig is om een bankapp op het toestel te openen, kan via de verdachte worden achterhaald onder dwang). Hetzelfde geldt voor locatiegegevens of gegevens over telefonische contacten uit het verleden (art. 88bis van het Wetboek van Strafvordering). Minstens dezelfde proportionaliteitsdrempel zou dan ook van toepassing moeten zijn op de dwang om een wachtwoord of pincode te achterhalen.

Bovendien heeft het beletten van dwang op de persoon van een verdachte ook waarde wanneer de te bekomen gegevens een neutraal karakter hebben. Beperkingen op het gebruik van dwang bestaan immers, net zoals vele andere strafprocesrechtelijke regels, vooral om de onschuldige verdachte zoveel als mogelijk ongemoeid te laten.

Bovendien heeft het beletten van dwang op de persoon van een verdachte ook waarde wanneer de te bekomen gegevens een neutraal karakter hebben. Beperkingen op het gebruik van dwang bestaan immers, net zoals vele andere strafprocesrechtelijke regels, vooral om de onschuldige verdachte zoveel als mogelijk ongemoeid te laten. En de onschuldige verdachte heeft misschien wel een goede reden om geen toegang te willen verlenen tot alle privé-informatie die op die manier blootgelegd kan worden. Ook al is de gevraagde informatie beperkt, zoals wordt aangehaald in het arrest van 4 februari 2020, de gegevens over de verdachte die aan de hand daarvan beschikbaar worden gesteld zijn dat allerminst …

Een grens die niet mocht overschreden worden

Het is duidelijk dat het arrest van 4 februari 2020 een voelbaar gevolg zal hebben in de praktijk. Onderzoeksrechters die tot nu toe weigerachtig zijn geweest om in te gaan op een vraag van het openbaar ministerie om op basis van artikel 88quater van het Wetboek van Strafvordering een bevel uit te vaardigen ten aanzien van de verdachte, zullen dat nu wel doen of riskeren minstens hoger beroep van het openbaar ministerie tegen een strijdig bevel. Strafrechters die eerder beslisten tot vrijspraak van weigerende beklaagden, zullen nu geconfronteerd worden met de inhoud van het arrest van 4 februari 2020. Het lijkt onafwendbaar dat uiteindelijk het EHRM zich zal moeten uitspreken over de verenigbaarheid van veroordelingen van weigerende beklaagden met het recht op een eerlijk proces.

Het dwingen van een verdachte om iets te zeggen op straffe van gevangenisstraf, ook al is het maar een ‘sleutel’ tot hard bewijs, komt nochtans hoe men het ook draait of keert, neer op het verplicht moeten prijsgeven van iets wat enkel bestaat in gedachten. Dat is een grens die beter niet overschreden was geworden.

Deel dit bericht

Verwante berichten

Justitie werkt voortaan samen met betrouwbare criminelen In aflevering 7 van het Rechtskundig Weekblad jaargang 82 verscheen een kritische kijk op twee wetten van 22 juli 2018 die op 7 augustus 2018 in het Staatsblad werden gepubliceerd. Sedert de inwerkingtreding van deze wetten op 17 augustus 2018 is het mogelijk om burgers te laten infiltreren in criminele organisaties (burgerinfiltratie) en om aan criminelen die een andere crimineel aan de galg te praten, toezeggingen te doen op vlak van straf voor de feiten die zij zelf hebben gepleegd (spijtoptanten, ook wel pentiti genoemd). lees meer Een analyse van twee potpourri-ingrediënten Naar aanleiding van de studiecyclus die in 2017 werd georganiseerd door de Vlaamse Conferentie der balie van Gent verscheen het verslagboek met daarin bijdragen van alle sprekers. Het verslagboek bevat onder meer de bijdrage van Joachim Meese over twee aspecten van de zogenaamde potpourri II-wet. Een eerste deel betreft de regeling inzake conclusietermijnen in strafzaken. Een tweede deel handelt over het hoger beroep in strafzaken. lees meer Ēcis t. Letland: ernstig ongelijke strafuitvoering mannen en vrouwen schendt de artikelen 14 en 8 EVRM In de zaak Ēcis t. Letland heeft het EHRM zich op 10 januari 2019 uitgesproken over de vraag of een verschillende behandeling van mannen en vrouwen bij de strafuitvoering al dan niet een schending oplevert van het EVRM.

De verzoeker zat in de gevangenis tussen 2002 en 2015. In 2008 verzocht hij om de begrafenis van zijn vader te kunnen bijwonen, maar dit werd geweigerd bij gebrek aan wettelijke grondslag. De verzoeker zat namelijk in een ‘maximum-security’ gevangenis en kwam daardoor naar Lets recht niet in aanmerking voor de gevraagde gunst. Naar aanleiding daarvan beklaagde hij zich erover dat andere wettelijke regelingen gelden bij de strafuitvoering van mannen dan het geval...
lees meer
Geen beperking voor opschorting en uitstel bij drugfeiten maar wel bij druggerelateerde feiten: niet ongrondwettig In een arrest van 6 december 2018 (nr. 176/2018) heeft het Grondwettelijk Hof zich uitgesproken over de vraag of het feit dat de Probatiewet alleen de beklaagde die vervolgd wordt wegens een overtreding van de Drugswet toelaat het voordeel te genieten van opschorting en uitstel van de uitspraak, zelfs indien hij niet voldoet aan de bij de artikelen 3 en 8 van die wet gestelde voorwaarden met betrekking tot de vroegere veroordelingen, terwijl die gunst wordt geweigerd aan de beklaagde die andere misdrijven heeft gepleegd met het oog op zijn eigen drugsgebruik. lees meer Venet t. België: laattijdige oproeping voor zitting Hof van Cassatie schendt art. 5.4 EVRM Bij arrest van 22 oktober 2019 (Venet t. België) werd ons land veroordeeld wegens een schending van artikel 5.4 EVRM.

In casu ging het om een inverdenkinggestelde die cassatieberoep had aangetekend tegen de handhaving van zijn aanhouding door de kamer van inbeschuldigingstelling, maar niet aanwezig kon zijn ter zitting van het Hof van Cassatie door de laattijdige ontvangst van de oproeping.
lees meer
Interrogating young suspects (vol. I & vol. II) In 2015 werd een wetenschappelijk onderzoeksproject afgesloten met als titel Protecting young suspects in interrogations – a study on safeguards and best practice. Het onderzoek heeft betrekking op het verhoor van minderjarige verdachten en welke waarborgen er in dat verband bestaan in diverse landen, zowel in het recht als in de praktijk. Wat België betreft, werd aan het onderzoek deelgenomen door Joachim Meese voor de Universiteit Antwerpen. De studie verscheen ondertussen in boekvorm in twee delen. lees meer Strafrecht in de onderneming Dit boek benadert het straf- en het strafprocesrecht praktisch vanuit het standpunt van de ondernemer. Voor veel ondernemers is het strafrecht als ondernemersrisico nog steeds een grote onbekende. Nochtans wijst de actualiteit erop dat de strafrechtelijke risico’s voor de ondernemer niet verwaarloosbaar zijn. lees meer Laattijdig geraadpleegde advocaat en uitstel: meestal nodig, maar niet altijd Als een advocaat pas kort voor een pleitzitting wordt geraadpleegd, lijkt het logisch dat om uitstel wordt gevraagd om de verdediging te kunnen voorbereiden. Toch moet daarmee worden opgelet, zo blijkt uit een arrest van het Hof van Cassatie van 3 november 2020. Een beklaagde heeft namelijk geen absoluut recht op uitstel in een dergelijk geval, stelt het Hof. lees meer Duiding strafprocesrecht 2017 In de reeks Duiding uitgegeven door Larcier verscheen in 2017 een nieuwe editie van het boek Duiding strafprocesrecht. Het boek bevat verhelderende commentaren bij de belangrijkste bronnen van het strafprocesrecht, allen geschreven door verschillende academici, advocaten en magistraten. Joachim Meese is een van de editors, samen met Martine De Busscher, Dirk Van Der Kelen en Johan Verbist. lees meer Bij een laattijdig vastgesteld voortgezet misdrijf mag maar moet geen rekening worden gehouden met veroordelingen in een ander Europees land Wanneer de rechter vaststelt dat er sprake is van een laattijdig vastgesteld voortgezet misdrijf, moet hij toepassing maken van de bestraffingsmildering voorzien in artikel 65, tweede lid van het Strafwetboek. Die regel is echter niet van toepassing wanneer de eerdere feiten bestraft werden in een andere lidstaat van de Europese Unie. In een arrest van 16 januari 2020 heeft het Grondwettelijk Hof vastgesteld dat die situatie niet strijdig is met het gelijkheidsbeginsel, onder die interpretatie dat de rechter de veroordelingen in een andere lidstaat van de Europese Unie wel op een andere wijze in aanmerking kan nemen. lees meer Hoger beroep tegen schuldigverklaring en schadevergoeding vereist afzonderlijke grieven Alhoewel het grievenstelsel al van toepassing is sinds 1 maart 2016, worden er bij het aantekenen van hoger beroep nog steeds fouten begaan die grote gevolgen kunnen hebben. Een arrest van het Hof van Cassatie van 1 december 2020 heeft dit nog maar eens aangetoond. lees meer Deadline pilootarrest internering is verstreken Vandaag is het exact twee jaar geleden dat het pilootarrest W.D. tegen België van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) definitief is geworden. In dat arrest werd ons land veroordeeld voor de wijze waarop geïnterneerden worden behandeld in de Belgische gevangenissen. Er werd een termijn van twee jaar voorzien om orde op zaken te stellen en die termijn is nu dus voorbij.

Wij maken van de gelegenheid gebruik om de inhoud van het arrest W.D. nog even in herinnering te brengen, maar ook om stil te staan bij de figuur van het pilootarrest. En uiteraard kijken we ook even naar de huidige stand van zaken en het standpunt van het...
lees meer
Hof van Justitie spreekt zich opnieuw uit over dataretentie In twee belangrijke arresten van 6 oktober 2020 heeft het Hof van Justitie zich opnieuw uitgesproken over dataretentie. Wij vatten de belangrijkste conclusies van deze arresten voor u samen. lees meer Ook de beklaagde beschikt voortaan over een volgberoep Het Grondwettelijk Hof heeft zich in een arrest van 6 juni 2019 (nr. 96/2019) nog maar eens uitgesproken over het in 2016 gewijzigde hoger beroep in strafzaken. In essentie komt deze beslissing erop neer dat het volgberoep waarover het openbaar ministerie beschikt, ook moet openstaan voor de beklaagde.

We staan stil bij de concrete gevolgen van dit arrest en de nieuwe vragen waartoe het leidt.

Onze conclusie: anders dan wat de wetgever destijds heeft aangekondigd, is het nieuwe hoger beroep geen quick win. Het is een epic fail.
lees meer
Over nummerplaten, privacy en de verkeersboete Er is de voorbije week heel wat te doen geweest over de arresten van het Hof van Cassatie van 13 december 2016 aangaande de identificatie van de houder van een nummerplaat door de politie. Meteen hadden heel wat burgers vragen bij de rechtsgeldigheid van de verkeersboetes die in het verleden werden betaald of die nog te betalen vallen. lees meer Geen grievenschrift en toch ontvankelijk hoger beroep bij gebrek aan kennis vormvoorwaarden In een arrest van 20 oktober 2020 beslist het Hof van Cassatie dat het hoger beroep dat een gedetineerde zelf heeft aangetekend zonder een grievenformulier in te dienen, slechts onontvankelijk kan worden verklaard als redelijkerwijze kan worden aangenomen dat de gedetineerde beklaagde op de hoogte was of kon zijn van de verplichting zulks tijdig te doen. lees meer Toezeggingen aan criminelen in ruil voor verklaringen in België Op 22 en 23 november 2019 vindt te Brugge de jaarlijkse bijeenkomst van de Vereniging voor de vergelijkende studie van het recht van België en Nederland plaats. In de afdeling strafrecht van de vereniging zal het (zowel in België als in Nederland actuele) thema van de spijtoptant worden besproken.

Het preadvies aan Vlaamse kant werd geschreven door Joachim Meese en bevat onder meer een kritische analyse van de Belgische wettelijke regeling inzake spijtoptanten.
lees meer
{{title}} {{excerpt}} lees meer Uitlevering van EU-onderdanen na het arrest Denis Raugevicius Wat als een Unieburger verblijft in een ander EU-land dan het zijne en er een vraag tot uitlevering wordt gericht aan dat land? Rusland vraagt bv. de uitlevering aan België van een Nederlandse onderdaan die hier verblijft of permanent woont. Kan de uitlevering dan worden toegestaan, of moet het verbod van uitlevering van eigen onderdanen dan per analogie worden toegepast op de EU-onderdaan die gebruik maakt van zijn recht van vrij verkeer?

Over deze en andere vragen leest u meer in onze recente bijdrage naar aanleiding van het arrest Denis Raugevicius van het Hof van Justitie.
lees meer
Minnelijke schikking en vermoeden van onschuld In een arrest van 5 september 2019 deed het Hof van Justitie een interessante uitspraak over het vermoeden van onschuld. Met name werd beslist dat artikel 4, 1e lid van de richtlijn 2016/343 “zich niet ertegen verzet dat een schikking waarin de verdachte in ruil voor strafvermindering zijn schuld erkent, die door een nationale rechter moet worden goedgekeurd, uitdrukkelijk als mededaders van het betrokken strafbare feit niet alleen die verdachte vermeldt, maar ook andere verdachten die hun schuld niet hebben erkend en worden vervolgd in het kader van een afzonderlijke strafprocedure, op voorwaarde dat ten eerste die vermelding noodzakelijk is voor de kwalificatie van de juridische aansprakelijkheid van de persoon die deze... lees meer Kamer van inbeschuldigingstelling stuurt zaak met voorrecht van rechtsmacht opnieuw naar het Grondwettelijk Hof In een zaak behandeld door ons kantoor heeft de kamer van inbeschuldigingstelling te Gent bij arrest van 6 december 2018 (KI 2018/12/101) beslist om meer duidelijkheid te vragen aan het Grondwettelijk Hof over de toepassing van het voorrecht van rechtsmacht na het arrest van het Grondwettelijk Hof van 22 maart 2018.

Met name wordt de volgende vraag voorgelegd aan het Grondwettelijk Hof:

“Dient het arrest van het Grondwettelijk hof van 22 maart (GwH 35/2018) aldus begrepen te worden dat enkel een initiatief van de wetgever de vastgestelde schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door de artikelen 479, 483 en 503bis van het Wetboek van Strafvordering, vermag...
lees meer
Adamčo t. Slowakije: onvolkomen rechterlijke controle op getuigenbewijs afkomstig van spijtoptant schendt recht op eerlijk proces Het arrest in de zaak Adamčo t. Slowakije (EHRM 12 november 2019) is interessant omdat het Hof zich daarin onder meer uitspreekt over de gevolgen van het gebruik van een belastende verklaring afgelegd door een getuige die hiervoor als medebeklaagde zelf voordelen heeft genoten bij zijn eigen vervolging. Of eenvoudiger uitgedrukt: een spijtoptant.

Bij onze bespreking van dit arrest komen wij tot het besluit dat Belgische zaken waarin verklaringen van getuigen worden gebruikt die hiervoor voordelen hebben bekomen buiten de Belgische algemene spijtoptantenregeling om, tot heel wat discussie aanleiding lijken te kunnen geven in de toekomst.
lees meer
Rechter moet GAS-boete kunnen verminderen bij verzachtende omstandigheden Uit een arrest van het Grondwettelijk Hof van 23 januari 2019 (arrest nr. 8/2019) blijkt dat GAS-boetes die worden opgelegd voor inbreuken op onder meer de regels inzake het stilstaan en het parkeren, door de rechter moeten kunnen worden verminderd tot onder het minimum als er sprake is van verzachtende omstandigheden.

Indien men voor dezelfde feiten voor de politierechter in een strafprocedure verschijnt, kan de rechter de geldboete verminderen door toepassing te maken van artikel 29, § 1, eerste lid, van de Wegverkeerswet. Het zou dus niet redelijk te verantwoorden vallen om iemand die een GAS-boete krijgt voor een zelfde feit, anders te behandelen (overweging B.7 van het arrest).
lees meer
Strafrecht geannoteerd 2018 Editie 2018 van het alom bekende en gebruikte wetboek Strafrecht geannoteerd. Deze editie is bijgewerkt tot en met 1 oktober 2018 en bundelt zoals steeds het ‘Strafwetboek’, het ‘Wetboek van Strafvordering’ en een aantal relevante bijzondere wetten. lees meer Gjini t. Servië: geweld tussen gedetineerden vereist ook zonder strafklacht grondig onderzoek In een arrest van vandaag deed het EHRM uitspraak in een zaak waarin de verzoeker, een Kroatische onderdaan, ernstig fysiek en mentaal werd mishandeld in een Servische gevangenis door Servische medegedetineerden (zie het overzicht van de feiten in de randnes. 11-22 van het arrest). Deze mishandeling stopte pas nadat de advocaat van de verzoeker om een overplaatsing had verzocht nadat hij had gezien dat er duidelijk iets aan zijn cliënt schortte, ook al wou hijzelf daarover niets kwijt.

Interessant aan het arrest is dat het EHRM de exceptie van de Servische overheid dat niet alle interne rechtsmiddelen werden uitgeput (art. 35 EVRM), verwerpt: het feit dat de verzoeker geen strafklacht heeft...
lees meer
{{title}} {{excerpt}} lees meer De verjaring van de strafvordering uitgeklaard In dit boek wordt de complexe materie van de verjaring van de strafvordering op een duidelijke wijze in kaart gebracht. De verschillende facetten van de berekening van de verjaring worden besproken vanuit een ‘stappenplan’ om tot een correcte berekening te komen. De handige bijlagen bieden een schematisch overzicht van de essentiële elementen van die stappen, rekening houdend met de verschillende verjaringsregimes die van toepassing waren doorheen de tijd. Een onmisbaar werkinstrument dus voor advocaten, parketmagistraten en rechters. lees meer Duiding Strafrecht 2018 In de reeks Duiding is zopas de derde editie verschenen van het boek Duiding Strafrecht. Het boek biedt een volledige bespreking van alle artikelen uit het Strafwetboek en de belangrijkste bijzondere wetgeving.

De teksten zijn van de hand van een hele reeks eminente strafrechtspecialisten, zowel magistraten, academici als advocaten.

De hoofdredactie was opnieuw in handen van Martine De Busscher, Joachim Meese, Dirk Van Der Kelen en Johan Verbist.
lees meer
Het recht van de beklaagde om persoonlijk aanwezig te zijn bij het strafproces In een arrest van 30 mei 2017 heeft het Hof van Cassatie uitspraak gedaan over het recht van de beklaagde om zelf aanwezig te zijn op het strafproces en eraan deel te nemen. In de noot bij dit arrest, wordt aandacht besteed aan de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, waaruit blijkt dat van het recht op persoonlijke deelname aan het strafproces slechts in uitzonderlijke omstandigheden mag worden afgeweken. lees meer Uniform reglement verhoorbijstand Salduz gepubliceerd In het Staatsblad van vandaag is het "Uniform reglement verhoorbijstand Salduz in het kader van de permanentiedienst" van de Orde van Vlaamse Balies verschenen. In de toekomst zullen enkel advocaten die een bijzondere opleiding voor bijstand van verdachten tijdens het verhoor hebben gevolgd, nog ingeschreven kunnen worden op de permanentiedienst waarop een beroep wordt gedaan wanneer een advocaat wordt gezocht voor het verlenen van bijstand aan een gearresteerde verdachte. lees meer {{title}} {{excerpt}} lees meer {{title}} {{excerpt}} lees meer Materiële vaststellingen in een PV met bijzondere bewijswaarde zijn niet helemaal onaantastbaar In een arrest van 6 oktober 2020 (P.20.0477.N) verduidelijkt het Hof van Cassatie dat de rechter ook bij processen-verbaal met bijzondere bewijswaarde kan oordelen dat een bepaalde vermelding erin van de politie een verschrijving inhoudt. Een dergelijke materiële vergissing kan door de rechter verbeterd worden. lees meer Actieve informatieplicht inzake terrorisme voor personeelsleden OCMW is ongrondwettig In een arrest van vandaag heeft het Grondwettelijk Hof beslist dat de actieve informatieplicht inzake terrorisme, die in 2017 werd ingevoerd voor personeelsleden van (onder meer) een OCMW, strijdig is met het legaliteitsbeginsel. lees meer De aanvang van de redelijke termijn bij voortgezette, voortdurende en samenhangende misdrijven In aflevering 6 van deze jaargang 2017 van het tijdschrift Nullum Crimen verscheen een noot van Joachim Meese onder het arrest van 23 mei 2017 van het Hof van Cassatie, dat een beslissing vernietigde omdat daarin was aangenomen dat de redelijke termijn bij voortgezette misdrijven voor het geheel van de vervolgde misdrijven slechts een aanvang neemt op het tijdstip waarop de beklaagde wordt beschuldigd van het laatst gepleegde misdrijf. In de noot wordt toegelicht dat het Hof van Cassatie zich daarmee voor het eerst duidelijk conformeert aan de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Ook wordt aandacht besteed aan aanverwante vragen met betrekking tot samenhangende en voortdurende... lees meer Theory and practice of the European Convention on Human Rights Begin 2018 verscheen de vijfde editie van het legendarische boek Theory and Practice of the European Convention on Human Rights, een internationaal standaardwerk inzake mensenrechten in Europa. Aan deze editie werd gewerkt door vele gezaghebbende auteurs in dat domein. lees meer De burgerlijke rechtsvordering voor de strafrechter In het kader van een studienamiddag die de Universiteit Antwerpen heeft georganiseerd op 30 november 2017, schreef Joachim Meese een bijdrage over de burgerlijke rechtsvordering voor de strafrechter. Deze bijdrage is opgenomen in het verslagboek dat uitgegeven werd door Intersentia. lees meer {{title}} {{excerpt}} lees meer De herziening van gerechtelijke dwalingen vernieuwd Niets zo erg als een gerechtelijke dwaling. Een op een waar gebeurd verhaal gebaseerde serie zoals Making a murderer laat wellicht al niemand onberoerd, maar daarnaast zijn er ook af en toe berichten over (lang)gestraften wiens onschuld uiteindelijk moet worden vastgesteld, bijvoorbeeld op basis van dna-analyses op oude sporen. Het zou echter een illusie zijn te denken dat gerechtelijke dwalingen enkel een Amerikaans probleem vormen. Elke rechtstaat moet er immers rekening mee houden dat niemand onfeilbaar is, zodat ook een juridisch vastgestelde ‘waarheid’ feitelijk onjuist kan zijn.

In veel landen bestaat dan ook een speciale commissie die gelast wordt met het onderzoek naar klachten over gerechtelijke dwalingen. Voor het bestaan van...
lees meer
Potpourri II: een overzicht van de belangrijkste wijzigingen op vlak van strafprocesrecht De potpourri II-wet omvatte heel wat wijzigingen aan het materieel en formeel strafrecht en sommige daarvan zijn erg ingrijpend. In een bijdrage van de hand van Joachim Meese die verschenen is in aflevering 40 van jaargang 79 van het Rechtskundig Weekblad wordt een overzicht gegeven van de belangrijkste wijzigingen op vlak van strafprocesrecht. lees meer Getuigenverhoor van een undercoveragent: afwijzing vereist concrete motivering In een zaak waarin wij tussenkwamen voor de eiser in cassatie, besliste het Hof van Cassatie in een arrest van 23 januari 2024 dat het verzoek tot het horen van een undercoveragent als getuige ter terechtzitting, niet zomaar kan worden afgewezen. lees meer Grondwettelijk Hof vernietigt de wet digitale recherche gedeeltelijk In een arrest van 6 december 2018 (nr. 174/2018) heeft het Grondwettelijk Hof de wet van 25 december 2016 "houdende diverse wijzigingen van het Wetboek van strafvordering en het Strafwetboek, met het oog op de verbetering van de bijzondere opsporingsmethoden en bepaalde onderzoeksmethoden met betrekking tot internet en elektronische en telecommunicaties en tot oprichting van een gegevensbank stemafdrukken" gedeeltelijk vernietigd. lees meer Grievenformulier mag niet te soepel maar ook niet te streng beoordeeld worden In een arrest van 5 maart 2019 (P.18.1158.N) heeft het Hof van Cassatie zich nog maar eens uitgesproken over het grievenformulier in strafzaken.

Om na te gaan of de grieven voldoende nauwkeurig zijn geformuleerd, moet de appelrechter rekening houden met de wijze waarop de appellant in het verzoekschrift of grievenformulier de grieven heeft vermeld. Het Hof van Cassatie verduidelijkt dat de rechter bij die beoordeling niet overdreven soepel mag zijn omdat anders de bedoeling van de wetgever om ondoordachte hogere beroepen te vermijden niet kan worden bereikt, maar dat hij evenmin overdreven formalistisch mag zijn omdat anders het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht van toegang tot de rechter dreigt in...
lees meer
Schriftelijke vordering tot verbeurdverklaring is geen conclusie Het Hof van Cassatie heeft in een arrest van 29 januari 2019 verduidelijkt dat een schriftelijke vordering tot bijzondere verbeurdverklaring van vermogensvoordelen buiten het toepassingsgebied valt van artikel 152 Wetboek van Strafvordering.

Een rechter kan een dergelijke vordering dus niet weren op grond van het feit dat deze werd neergelegd buiten de vooropgestelde conclusietermijnen (randnr. 5 van het arrest).
lees meer
Wie zal dat betalen ...? De rechtsplegingsvergoeding ont(k)leed Dit boek biedt een volledig overzicht biedt van alle aspecten van de rechtsplegingsvergoeding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding in strafzaken. lees meer Hoger beroep door het openbaar ministerie bij het appelgerecht In een arrest van 23 oktober 2018 heeft het Hof van Cassatie gezorgd voor meer duidelijkheid over de wijze waarop het openbaar ministerie bij het appelgerecht hoger beroep moet instellen. De eiser in cassatie, vertegenwoordigd en bijgestaan door ons kantoor, had aangevoerd dat het hoger beroep door het openbaar ministerie bij het appelgerecht onontvankelijk had moeten worden verklaard omdat de akte van betekening van het hoger beroep met daarin de opgave van de grieven niet binnen de beroepstermijn ter griffie was neergelegd. Het Hof van Cassatie volgde deze redenering en vernietigde de bestreden beslissing: wanneer het openbaar ministerie hoger beroep aantekent op de wijze bedoeld in art. 205 van het... lees meer Hoger beroep tegen beschikking van de raadkamer inzake internering vereist grieven In een arrest van 8 oktober 2019 (P.19.0611.N) heeft het Hof van Cassatie beslist dat het hoger beroep dat wordt ingesteld tegen de beschikking van de raadkamer waarbij een beslissing wordt genomen inzake internering, slechts ontvankelijk is als er grieven worden geformuleerd tegen die beslissing. lees meer Ook hoger beroep tegen de beslissing die het verzet als gedaan beschouwt, maakt grond van de zaak aanhangig In een arrest van 26 september 2019 zegt het Grondwettelijk Hof dat artikel 187, §9, 2e lid van het Wetboek van Strafvordering de Grondwet schendt "in zoverre het niet bepaalt dat een hoger beroep tegen de beslissing die het verzet als gedaan beschouwt, inhoudt dat de grond van de zaak aanhangig wordt gemaakt bij de rechter in hoger beroep wanneer die laatste het verzet voor het eerst ongedaan verklaart in hoger beroep".

Wij geven wat toelichting bij deze beslissing.
lees meer
The use of illegally obtained evidence in criminal cases: a brief overview Nadat Joachim Meese in 2016 de Belgische rechtspraak in verband met het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijs aan een kritische analyse heeft onderworpen in zijn bijdrage voor het verslagboek van de cyclus Willy Delva, schreef hij een rechtsvergelijkende analyse over datzelfde onderwerp. De situatie in verschillende (vooral Angelsaksische georiënteerde) landen komt daarin aan bod, met bijzondere aandacht voor de Verenigde Staten, dat als bakermat van de zogenaamde exclusionary rule kan worden beschouwd. Ook de rechtspraak van het EHRM (Europees Hof voor de Rechten van de Mens) wordt in de analyse betrokken. Het artikel werd geschreven voor het internationale tijdschrift Era Forum en is zowel in papieren versie als in elektronische versie gepubliceerd. lees meer Stirmanov t. Rusland: procureur die zich uitspreekt over schuld aan verjaarde feiten schendt het vermoeden van onschuld In een arrest van 29 januari 2019 (Stirmanov t. Rusland) heeft het EHRM Rusland veroordeeld wegens een miskenning van het vermoeden van onschuld. De aanleiding tot die veroordeling was een beslissing van een Russische procureur om geen onderzoek te openen wegens verjaring. In die beslissing werd namelijk duidelijk standpunt ingenomen over de schuld van de verdachte.
lees meer