Zuivering der nietigheden

Wat is de zuivering der nietigheden?

De zuivering der nietigheden is een procedure die tijdens of op het einde van het gerechtelijk onderzoek kan plaatsvinden en die ertoe strekt om na te gaan of er zich bij dat onderzoek al dan niet onregelmatigheden hebben voorgedaan bij de bewijsverkrijging. Tijdens het gerechtelijk onderzoek kan enkel de kamer van inbeschuldigingstelling hierover oordelen, op het einde van het gerechtelijk onderzoek kunnen zowel de raadkamer  (in eerste aanleg) als de kamer van inbeschuldigingstelling (in graad van beroep) dat doen. Er bestaat geen analoge procedure voor het opsporingsonderzoek (dat de meest gebruikte vorm van vooronderzoek uitmaakt).

Is er effectief sprake van onregelmatigheden, verzuimen of nietigheden, dan kan dat leiden tot de beslissing om bepaalde bewijsgegevens uit het dossier te doen verwijderen. Zo kunnen bijv. de resultaten van een nietige telefoontap worden geweerd. Deze mogelijkheid werd in 1998 door de wetgever gecreëerd om te vermijden dat de vonnisrechter bewijselementen te zien zou krijgen waarop hij zich niet mag steunen en daardoor toch – al is het onbewust – ermee rekening zou houden bij zijn oordeelsvorming.

Het is wel belangrijk te onderstrepen dat niet elke onrechtmatigheid leidt tot bewijsuitsluiting. Sedert 2003 geldt immers als algemene regel dat onrechtmatig bewijs mag worden gebruikt, tenzij in drie gevallen: wanneer het miskende voorschrift op straffe van nietigheid is voorgeschreven, wanneer de onrechtmatigheid de betrouwbaarheid van het bewijs heeft aangetast, of wanneer het gebruik van het onrechtmatig verkregen bewijs het eerlijk karakter van het proces in het gedrang zou brengen (zie hierover het trefwoord bewijs).

Wanneer de raadkamer of de kamer van inbeschuldigingstelling beslist dat bepaalde bewijsgegevens effectief fysiek uit het dossier moeten worden verwijderd, dan worden die stukken neergelegd op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg. Er moet dan ook worden beslist in welke mate de partijen de nietig verklaarde stukken nog mogen inzien en gebruiken voor de vonnisrechter. Zo is het bijv. mogelijk dat een nietig bewijselement niet mag worden gebruikt als belastend bewijs voor de ene beklaagde, maar wel als bewijs ten ontlaste voor een andere beklaagde. Als algemene regel geldt namelijk dat een beklaagde zich op eender welk bewijs mag steunen om zijn onschuld aan te tonen, ook al is dat bewijs onrechtmatig verkregen. Doet een dergelijke situatie zich voor, dan zal de rechter het bewijs uiteraard wel te zien krijgen. Maar dan mag hij zijn beslissing om de ene beklaagde te veroordelen niet steunen op het bewijs, terwijl hij voor zijn beslissing om de andere beklaagde vrij te spreken wel mag steunen op datzelfde bewijs.

De regeling inzake de zuivering der nietigheden is terug te vinden in artikel 235bis van het Wetboek van Strafvordering.

Complexe regeling

De procedure van zuivering der nietigheden kan tot heel wat complexe vraagstukken aanleiding geven, zeker in combinatie met het ook al erg ingewikkelde leerstuk van het onrechtmatig verkregen bewijs. Het Grondwettelijk Hof sprak zich dan ook al verschillende malen uit over deze procedure, namelijk in een arrest van 8 mei 2002 en in een arrest van 30 juni 2016.

Ter illustratie van de complexiteit van de regeling, bespreken we hier kort de inhoud van het arrest van 30 juni 2016. Daarin werden twee prejudiciële vragen behandeld.

De eerste vraag betreft het geval waarbij een partij pas na de zuiveringsprocedure in de zaak wordt betrokken. Die partij heeft dan geen inspraak gehad in de beslissing tot zuivering en in de beslissing over de eventuele verdere aanwending van de stukken. Deze vraag werd helaas niet beantwoord omdat het Hof heeft vastgesteld dat de rechter die de vraag stelde, niet met een dergelijke situatie te maken had. Het antwoord op de vraag was dus niet dienend voor de oplossing van het geschil waarin de vraag was gesteld. Wel kan er voor het antwoord op die vraag eigenlijk verwezen worden naar rechtspraak van het Hof van Cassatie waaruit blijkt dat de beslissing inzake de zuivering der nietigheden enkel geldt voor de partijen die bij de zuiveringsprocedure betrokken zijn geweest. De beslissing is dus niet tegenstelbaar aan partijen die daarbij afwezig waren.

De tweede vraag werd wel beantwoord. Met name vroeg de verwijzende rechter zich af of de mogelijkheid om het gebruik van geweerde stukken volledig uit te sluiten en dus ook ten aanzien van de beklaagde die er zich zou op willen beroepen ten ontlaste, niet op gespannen voet staat met het recht op een eerlijk proces en met het recht van verdediging.

Volgens het Hof is dat niet het geval aangezien het gebruik van nietig verklaarde stukken slechts kan worden verhinderd in zoverre dat verenigbaar is met het recht op een eerlijk proces (overweging B.9 van het arrest). De beslissing dat een bepaalde partij geen gebruik zal mogen maken van een welbepaald stuk, kan dus maar genomen worden als vastgesteld wordt dat dat bewijsstuk voor die partij niet als ontlastend kan worden aangewend. Het moet wel gezegd dat het arrest vreemd is waar het stelt dat de inzage en het gebruik van nietigverklaarde stukken kan worden uitgesloten, “zelfs wanneer die voor de inverdenkinggestelde bewijselementen à décharge bevatten, doch enkel in zoverre zulks verenigbaar is met het recht op een eerlijk proces en met de rechten van verdediging”. Deze zinsnede mag volgens ons niet zo gelezen worden dat een rechter kan oordelen dat het verbod voor een welbepaalde inverdenkinggestelde om bewijselementen te gebruiken die voor hem ontlastend zijn, in een welbepaald geval niet in strijd zou zijn met het recht op een eerlijk proces. Dat is immers altijd zo: niemand kan de toegang ontzegd worden tot het bewijs dat zijn onschuld aantoont, hoe dat ook verkregen werd. Het arrest moet dus volgens ons zo begrepen worden dat het gebruik van een bewijselement dat ontlastend is voor partij A voor die partij altijd toegelaten moet worden, maar dat het gebruik ervan wel kan worden ontzegd aan partij B (voor wie het niet ontlastend is).

Het voorgaande klinkt misschien logisch, toch mogen de gevolgen van dit arrest niet worden onderschat. Het leidt er immers toe dat wanneer er tot een zuivering van het dossier beslist wordt, het des te belangrijker zal zijn om op dat ogenblik al grondig kennis te hebben van het dossier om te kunnen inschatten of het te weren bewijsstuk al dan niet belangrijk zou kunnen zijn voor de toekomstige verdediging. Dat zal niet altijd eenvoudig zijn, aangezien een zuiveringsprocedure ook kan plaatsvinden wanneer het gerechtelijk onderzoek nog maar pas is gestart en dus mogelijks zelfs vooraleer bepaalde feiten aan het licht zijn gekomen waarvoor men zich uiteindelijk zal moeten verdedigen. Een en ander onderstreept nogmaals het belang van het tijdig inschakelen van een advocaat.

Vertalingen

FransPurge des nullités

EngelsPurification of nullities

Verwante berichten en publicaties

  • Kamer van inbeschuldigingstelling dan toch bevoegd bij voorrecht van rechtsmacht
    28 februari 2019
    Criminis - Snelnieuws
    Het Grondwettelijk Hof legt bij arrest van 28 februari 2019 een eerder arrest uit en beslist dat een gerechtelijk onderzoek gevoerd tegen lagere magistraten wel degelijk moet leiden tot een regeling der rechtspleging door de kamer van inbeschuldigingstelling.
    GwH 28 februari 2019, nr. 31/2019
    Lees meer
  • Kamer van inbeschuldigingstelling stuurt zaak met voorrecht van rechtsmacht opnieuw naar het Grondwettelijk Hof
    12 december 2018
    Criminis - Focusartikelen
    In een zaak behandeld door ons kantoor heeft de kamer van inbeschuldigingstelling te Gent bij arrest van 6 december 2018 beslist om meer duidelijkheid te vragen aan het Grondwettelijk Hof over de toepassing van het voorrecht van rechtsmacht na het arrest van het Grondwettelijk Hof van 22 maart 2018. Naar aanleiding van dat arrest rijst namelijk de vraag of zaken die momenteel hangende zijn tegen houders van het voorrecht van rechtsmacht en waarbij een gerechtelijk onderzoek werd gevoerd op dit ogenblik kunnen worden voortgezet, dan wel of er gewacht moet worden op tussenkomst van de wetgever. Wij geven duiding bij dit arrest en maken van de gelegenheid gebruik om de recente arresten van het Grondwettelijk Hof over deze problematiek te kaderen.
    Lees meer
  • Burgerlijke partij die hoger beroep aantekent tegen buitenvervolgingstelling kan veroordeeld worden tot rechtsplegingsvergoeding
    22 november 2018
    Criminis - Snelnieuws
    In een arrest van 22 november 2018 (nr. 159/2018) heeft het Grondwettelijk Hof zich nog maar eens uitgesproken over de rechtsplegingsvergoeding in strafzaken. Het Hof komt tot het besluit dat de ontstentenis van een wetsbepaling die de kamer van inbeschuldigingstelling toelaat een rechtsplegingsvergoeding ten laste te leggen van de burgerlijke partij die, zonder daarin te worden voorafgegaan of gevolgd door het openbaar ministerie, hoger beroep instelt tegen een beschikking van de raadkamer tot buitenvervolgingstelling gewezen op een strafvordering ingesteld door het openbaar ministerie en die daarbij in het ongelijk wordt gesteld, in strijd is met het gelijkheidsbeginsel.
    GwH 22 november, nr. 159/2018
    Lees meer
  • Strafrecht in de onderneming
    29 april 2016
    Publicaties
    Dit boek benadert het straf- en het strafprocesrecht praktisch vanuit het standpunt van de ondernemer. Voor veel ondernemers is het strafrecht als ondernemersrisico nog steeds een grote onbekende. Nochtans wijst de actualiteit erop dat de strafrechtelijke risico’s voor de ondernemer niet verwaarloosbaar zijn.
    J. Meese, "De krachtlijnen van het opsporings- en gerechtelijk onderzoek", in P. Waeterinckx e.a. (eds.), Strafrecht in de onderneming, Antwerpen, Intersentia, 2016, 3-42 (872 p.)
    Lees meer

Wetteksten

Artikel 235bis Wetboek van Strafvordering

§1. Bij de regeling van de rechtspleging onderzoekt de kamer van inbeschuldigingstelling, op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van een van de partijen, de regelmatigheid van de haar voorgelegde procedure. Zij kan dit zelfs ambtshalve doen.

§2. De kamer van inbeschuldigingstelling handelt op dezelfde wijze in de andere gevallen waarin ze kennis neemt van de zaak.

§3. Wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling ambtshalve de regelmatigheid van de rechtspleging onderzoekt en er een nietigheid, een grond van niet- ontvankelijkheid of van verval van de strafvordering kan bestaan, beveelt ze de debatten te heropenen.

§4. De kamer van inbeschuldigingstelling hoort, in openbare terechtzitting indien ze op verzoek van een partij daartoe besluit, de opmerkingen van de procureur-generaal, de burgerlijke partij en de inverdenkinggestelde, en zulks ongeacht of het toezicht op de regeling van de rechtspleging gebeurt op verzoek van een partij dan wel op vordering van het openbaar ministerie.

§5. De onregelmatigheden, verzuimen of nietigheden als bedoeld in artikel 131, § 1, of met betrekking tot de verwijzingsbeschikking die door de kamer van inbeschuldigingstelling zijn onderzocht, kunnen niet meer opgeworpen worden voor de feitenrechter, behoudens de middelen die verband houden met de bewijswaardering. Hetzelfde geldt voor de gronden van niet-ontvankelijkheid of van verval van de strafvordering, behalve wanneer ze zijn ontstaan na de debatten voor de kamer van inbeschuldigingstelling. De bepalingen van deze paragraaf zijn niet van toepassing ten aanzien van de partijen die pas na de verwijzing naar het vonnisgerecht in de rechtspleging betrokken zijn, behalve indien de stukken uit het dossier worden verwijderd overeenkomstig artikel 131, § 2, of overeenkomstig § 6 van dit artikel.

§6. Wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling een onregelmatigheid, verzuim of nietigheid als bedoeld in artikel 131, § 1, of een grond van niet-ontvankelijkheid of van verval van de strafvordering vaststelt, spreekt zij, als daartoe grond bestaat, de nietigheid uit van de handeling die erdoor is aangetast en van een deel of het geheel van de erop volgende rechtspleging. Nietigverklaarde stukken worden uit het dossier verwijderd en neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg. De kamer van inbeschuldigingstelling oordeelt, met inachtneming van de rechten van de andere partijen, in welke mate de ter griffie neergelegde stukken nog in de strafprocedure mogen worden ingezien en aangewend door een partij. De kamer van inbeschuldigingstelling geeft in haar beslissing aan, aan wie de stukken moeten worden teruggegeven, dan wel wat er gebeurt met de nietigverklaarde stukken.

Deel deze pagina

Blijf op de Hoogte!

Wenst u graag op de hoogte te blijven van belangrijke nieuwe wetgeving of rechtspraak in het strafrecht, of van nieuwe publicaties of lezingen van Joachim Meese, meld u dan aan voor onze berichtgeving.

Wij respecteren uw privacy. U kan bij elke mail heel eenvoudig uw inschrijving stopzetten of uw voorkeuren aanpassen. U ontvangt dus van ons nooit meer mails dan u wenst.

CONTACT

bvba Joachim Meese
Beukenpark 111
B-9880 Aalter
tel +32 (0)475 39 54 10
fax +32(0)9 395 46 92
advocaat@jmeese.be

VOLGENDE LEZING

REKENINGEN

Kantoorrekening
IBAN BE61 6511 4711 1317
BIC KEYTBEBB

Derdenrekening
IBAN BE63 6301 9510 0708
BIC BBRUBEBB

RECENTSTE CRIMINISBERICHT

NIEUWSTE PUBLICATIE

LAATSTE TWEETS

© 2018-2019 bvba Joachim Meese | KBO 0821.420.546 | Privacy verklaring | Disclaimer | Verklarende woordenlijst

Blijf op de Hoogte!

Wenst u graag op de hoogte te blijven van belangrijke nieuwe wetgeving of rechtspraak in het strafrecht, of van nieuwe publicaties of lezingen van Joachim Meese, meld u dan aan voor onze berichtgeving.

Wij respecteren uw privacy. U kan bij elke mail heel eenvoudig uw inschrijving stopzetten of uw voorkeuren aanpassen. U ontvangt dus van ons nooit meer mails dan u wenst.

CONTACT

bvba Joachim Meese
Beukenpark 111
B-9880 Aalter
tel +32 (0)475 39 54 10
fax +32(0)9 395 46 92
advocaat@jmeese.be

REKENINGEN

Kantoorrekening
IBAN BE61 ‍6511 4711 1317
BIC KEYTBEBB

Derdenrekening
IBAN BE63 ‍6301 9510 0708
BIC BBRUBEBB

VOLGENDE LEZING

RECENTSTE CRIMINISBERICHT

NIEUWSTE PUBLICATIE

LAATSTE TWEET

© 2018-2019 bvba Joachim Meese | KBO 0821.420.546