Schriftelijke vordering tot verbeurdverklaring is geen conclusie

1 FEBRUARI 2019

Het Hof van Cassatie heeft in een arrest van 29 januari 2019 (AR P.18.0422.N) verduidelijkt dat een schriftelijke vordering tot bijzondere verbeurdverklaring van vermogensvoordelen buiten het toepassingsgebied valt van artikel 152 Wetboek van Strafvordering. Die bepaling voorziet in een regeling van conclusietermijnen die ook van toepassing is op het openbaar ministerie.

Wanneer er een conclusiekalender is vastgelegd en het openbaar ministerie wenst te concluderen, dan moet de conclusie tijdig worden neergelegd en ter kennis gebracht van de betrokken partijen.

Een schriftelijke vordering tot verbeurdverklaring daarentegen, kan in elke stand van het geding worden genomen.

Een rechter kan een dergelijke vordering dus niet weren op grond van het feit dat deze werd neergelegd buiten de vooropgestelde conclusietermijnen (randnr. 5 van het arrest).

Uiteraard zal er in die situatie (en in de mate dat er binnen de reeds toegekende termijnen geen standpunt meer zou kunnen worden ingenomen over de vordering tot verbeurdverklaring) wel sprake zijn van een nieuw element op grond waarvan nieuwe conclusietermijnen kunnen worden gevraagd.

Deel dit bericht

Met Criminis snelnieuws proberen we u zo snel mogelijk in kort bestek op de hoogte te brengen van nieuwe evoluties in het strafrecht.

Hebt u zelf nieuws dat hiervoor in aanmerking komt?

Laat het ons weten