voorrecht van rechtsmacht
voorrecht van rechtsmacht

Kamer van inbeschuldigingstelling stuurt zaak met voorrecht van rechtsmacht opnieuw naar het Grondwettelijk Hof

12 DECEMBER 2018

In een zaak behandeld door ons kantoor heeft de kamer van inbeschuldigingstelling te Gent bij arrest van 6 december 2018 (KI 2018/12/101) beslist om meer duidelijkheid te vragen aan het Grondwettelijk Hof over de toepassing van het voorrecht van rechtsmacht na het arrest van het Grondwettelijk Hof van 22 maart 2018.

Met name wordt de volgende vraag voorgelegd aan het Grondwettelijk Hof:

“Dient het arrest van het Grondwettelijk hof van 22 maart (GwH 35/2018) aldus begrepen te worden dat enkel een initiatief van de wetgever de vastgestelde schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door de artikelen 479, 483 en 503bis van het Wetboek van Strafvordering, vermag te herstellen, dan wel dat de kamer van inbeschuldigingstelling, wanneer het Grondwettelijk Hof van oordeel is dat de vastgestelde lacune is uitgedrukt in voldoende nauwkeurige en college bewoordingen die toelaten de in het geding zijnde bepalingen toe te passen met inachtneming van de principes van gelijkheid en non-discriminatie, zich bij wijze van grondwetconforme interpretatie bevoegd moet verklaren om de rechtspleging te regelen t.a.v. zaken waarin personen zijn betrokken die onderworpen zijn aan het voorrecht van rechtsmacht, en dit in afwachting van een optreden van de wetgever?”

De centrale vraag is aldus of zaken die momenteel hangende zijn tegen houders van het voorrecht van rechtsmacht en waarbij een gerechtelijk onderzoek werd gevoerd op dit ogenblik kunnen worden voortgezet, dan wel of er gewacht moet worden op tussenkomst van de wetgever.

Wat is voorrecht van rechtsmacht?

Voorrecht van rechtsmacht is een bijzondere procedure die gevolgd wordt voor de berechting van magistraten (rechters en parketmagistraten) en hoge functionarissen (bijv. een provinciegouverneur). Bij uitbreiding is de procedure ook van toepassing op plaatsvervangende magistraten en op eenieder die samen met een magistraat wordt vervolgd. Men hoeft dus niet noodzakelijk zelf houder te zijn van het voorrecht van rechtsmacht om met de procedure te worden geconfronteerd.

De procedure is bijzonder ingewikkeld, onder meer omdat een onderscheid wordt gemaakt tussen lagere en hogere magistraten en tussen misdrijven gepleegd buiten het ambt en in de uitoefening van het ambt. Bovendien is de procedure zo oud als ons wetboek van Strafvordering (dat dateert van 1808!) en is ze helemaal niet meegegroeid met de vele wijzigingen aan de ‘normale’ procedure.

In essentie komt het er op neer dat tegen houders van het voorrecht van rechtsmacht geen klacht kan worden neergelegd met burgerlijke partijstelling en dat zij ook niet rechtstreeks kunnen worden gedagvaard voor de strafrechter door een benadeelde. Het is immers enkel de procureur-generaal die kan beslissen om de strafvordering in te stellen tegen een houder van het voorrecht van rechtsmacht. Ook de procedure zelf verloopt anders, aangezien de berechting meteen plaatsvindt voor het hof van beroep. Op dit punt is het voorrecht dus helemaal geen voorrecht, omdat tegen de beslissing geen hoger beroep mogelijk is. Ten slotte is ook de wijze waarop het onderzoek verloopt, anders.

Eerdere kritieken op het voorrecht van rechtsmacht

Ook al is de procedure inzake voorrecht van rechtsmacht complex, toch wordt er soms dankbaar gebruik van gemaakt door het openbaar ministerie. Formele procedures met hoger beroep die bestaan in het gerechtelijk onderzoek (bijv. tegen een weigering tot inzage van het dossier) zijn er namelijk niet bij voorrecht van rechtsmacht. En door de enkele aanleg wordt tijd gewonnen. In complexe dossiers kan dat een enorm  verschil uitmaken. In sommige zaken (bijv. in het dossier Lernout & Hauspie) werd het voorrecht van rechtsmacht toegepast op alle betrokkenen op grond van de vermeende betrokkenheid van een advocaat die tevens plaatsvervangend rechter was. En als die laatste dan uiteindelijk wordt vrijgesproken, heeft dat geen weerslag op de rechtsgeldigheid van de gevoerde procedure.

Omwille van de beperktere rechten die de betrokkenen bij het voorrecht van rechtsmacht hebben en omwille van de complexiteit ervan en de onaangepastheid aan de hedendaagse ‘gewone’ procedure, is al veel kritiek geuit tegen die procedure.

Omwille van de beperktere rechten die de betrokkenen bij het voorrecht van rechtsmacht hebben en omwille van de complexiteit ervan en de onaangepastheid aan de hedendaagse ‘gewone’ procedure, is al veel kritiek geuit tegen die procedure.

De Hoge Raad voor de Justitie publiceerde op 27 maart 2015 een advies over het voorrecht van rechtsmacht naar aanleiding van de toepassing ervan in de zaak Jonathan Jacob. De Hoge Raad kwam tot het besluit dat de huidige regeling niet aangepast is aan de hedendaagse realiteit en de evolutie die onze maatschappij en justitie hebben doorgemaakt. Er werd ook vergeleken met het buitenland en er werd vastgesteld dat het Belgische systeem voorbijgestreefd is. Toch heeft de wetgever tot op heden nog niet ingegrepen.

Het arrest van 20 oktober 2016

Het Grondwettelijk hof heeft zich al verschillende malen uitgesproken over het voorrecht van rechtsmacht. In een arrest van 20 oktober 2016 (nr. 131/2016) ging het nog enkel over de procedure voor hogere magistraten. Toch was het arrest al meteen belangrijk voor de gehele procedure van voorrecht van rechtsmacht.

Het Grondwettelijk Hof werd specifiek bevraagd over de vergelijking van het voorrecht van rechtsmacht met de procedure voor de berechting van ministers en van leden van een gemeenschaps- of gewestregering. Ook voor die laatsten geldt een afwijkende procedure, maar die is enigszins anders dan het voorrecht van rechtsmacht.

Het Grondwettelijk Hof kwam tot het besluit dat het gelijkheidsbeginsel vereist dat beide categorieën van personen op een gelijkaardige wijze worden berecht. Meer bepaald stelde het Grondwettelijk Hof vast dat voor ministers en voor de leden van een gemeenschaps- of gewestregering die worden berecht, voorzien is in een regeling der rechtspleging na het afsluiten van het gerechtelijk onderzoek. Dat houdt in dat de kamer van inbeschuldigingstelling moet nagaan of er wel voldoende bezwaren zijn om de zaak aanhangig te maken bij de vonnisrechter. Ook kunnen er bijkomende onderzoekshandelingen worden bevolen.

Voor hogere magistraten geldt dat in principe ook, met als enig verschil dat het in dat geval aan het Hof van Cassatie toekomt om te beslissen over het al dan niet bestaan van voldoende bezwaren. Maar wanneer het Hof bijkomend onderzoek beval, werd aangenomen dat de zaak na de uitvoering van die onderzoekshandelingen meteen door de procureur-generaal kon worden aanhangig gemaakt, zonder dat nog een aparte beoordeling van de bezwaren nodig zou zijn. Die interpretatie werd door het Grondwettelijk Hof onverenigbaar bevonden met het gelijkheidsbeginsel. Ook hogere magistraten moeten dus, net zoals ministers en leden van een gemeenschaps- of gewestregering, na gerechtelijk onderzoek altijd kunnen rekenen op een procedure die vergelijkbaar is met die van de regeling der rechtspleging, waarbij de toereikendheid van de bezwaren worden beoordeeld op tegensprekelijke wijze.

En wat met de berechting van lagere magistraten?

Wanneer men te maken heeft met voorrecht van rechtsmacht, gaat het meestal om lagere magistraten. Daarover deed het arrest van 20 oktober 2016 nog geen uitspraak omdat dat niet relevant was voor de zaak in kwestie. Bij lagere magistraten is er echter  helemaal geen regeling der rechtspleging na gerechtelijk onderzoek. De procureur-generaal beslist dan zelf of hij al dan niet overgaat tot rechtstreekse dagvaarding voor het hof van beroep, zonder dat er sprake is van een rechterlijke controle op het bestaan van voldoende bezwaren. Het leek dus evident dat dit zeker een probleem zou stellen, aangezien er geen redelijke verantwoording denkbaar lijkt waarom lagere magistraten een dergelijke filterprocedure zou kunnen worden ontzegd, terwijl dat niet het geval is voor hogere magistraten en voor ministers en leden van een gemeenschaps- of gewestregering.

Het arrest van 1 februari 2018

In 2018 sprak het Grondwettelijk Hof zich tweemaal uit over het voorrecht van rechtsmacht en dit specifiek met betrekking tot de berechting van lagere magistraten.

In eerste instantie werd in een arrest van 1 februari 2018 (nr. 9/2018) geoordeeld dat wanneer lagere magistraten vervolgd worden, de procedure op onevenredige wijze afbreuk doet aan de rechten van de betrokken magistraten. Wat daarbij als problematisch werd bevonden, is namelijk dat niet voorzien is in de tussenkomst van een onderzoeksgerecht om, in de loop van het gerechtelijk onderzoek, toezicht te houden op de regelmatigheid van de rechtspleging en als beroepsinstantie uitspraak te doen over de beslissingen van de als onderzoeksrechter aangewezen magistraat.

Het ging hier met andere woorden dus nog om het gebrek aan rechten tijdens het gerechtelijk onderzoek (bv. het recht op een formele procedure om bijkomend onderzoek te vragen of de mogelijkheid om de regelmatigheid van het gerechtelijk onderzoek te doen toetsen).

In dit arrest werd dus nog geen standpunt ingenomen over de vraag of lagere magistraten ook na afloop van het gerechtelijk onderzoek moeten kunnen beschikken over een regeling der rechtspleging. Het gegeven dat na afloop van een dergelijk onderzoek de procureur-generaal zelf (en zonder rechterlijke controle) kan beslissen over de aanhangigmaking van de zaak bij het hof van beroep, werd dus op dat ogenblik nog niet afgeschoten.

Het arrest van 22 maart 2018

Dat gebeurde wel in het arrest van 22 maart 2018 (nr. nr. 35/2018 ). Ook deze zaak werd door ons kantoor bepleit.

Het arrest van 22 maart 2018 ging dus nog een pak verder dan het arrest van 1 februari 2018: niet enkel moeten er meer waarborgen zijn tijdens het gerechtelijk onderzoek (verworvenheid sedert het arrest van 1 februari 2018), ook moet er op het einde van het gerechtelijk onderzoek een regeling der rechtspleging plaatsvinden waarbij een onderzoeksgerecht in het kader van een op tegenspraak gevoerde procedure de toereikendheid van de bezwaren en de regelmatigheid van de rechtspleging beoordeelt. Daarmee sneuvelde de laatste situatie die het nog mogelijk maakte voor het openbaar ministerie om na een gerechtelijk onderzoek zelf te oordelen of dat onderzoek voldoende bezwaren heeft opgeleverd om een verwijzing naar de strafrechter te wettigen. Voortaan zal daarover steeds, dus ook voor lagere magistraten, moeten worden beslist door de rechterlijke macht.

Het arrest van 22 maart 2018 ging dus nog een pak verder dan het arrest van 1 februari 2018: niet enkel moeten er meer waarborgen zijn tijdens het gerechtelijk onderzoek (verworvenheid sedert het arrest van 1 februari 2018), ook moet er op het einde van het gerechtelijk onderzoek een regeling der rechtspleging plaatsvinden waarbij een onderzoeksgerecht in het kader van een op tegenspraak gevoerde procedure de toereikendheid van de bezwaren en de regelmatigheid van de rechtspleging beoordeelt.

De beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling van 6 december 2018

De recente beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling te Gent is te situeren in het kielzog van alle voornoemde arresten van het Grondwettelijk Hof.

De zaak die voorlag, was aanhangig gemaakt bij het hof van beroep te Gent door rechtstreekse dagvaarding van de procureur-generaal. Naar aanleiding van de diverse arresten van het Grondwettelijk Hof over het voorrecht van rechtsmacht, had het hof van beroep echter beslist dat de strafvervolging onontvankelijk was.

Het openbaar ministerie besliste daarop om de zaak aanhangig te maken bij de kamer van inbeschuldigingstelling te Gent, met de vraag om over te gaan tot verwijzing naar het hof van beroep te Gent. Volgens het openbaar ministerie zou de kamer van inbeschuldigingstelling als “natuurlijke rechter” hiertoe kunnen overgaan en daarbij per analogie toepassing maken van de verwijzingsprocedure in gemeenrechtelijke zaken.

De vraag is uiteraard of dat wel kan. Een dergelijke procedure is namelijk niet voorzien bij wet. Ook loopt de analoge procedure (art. 127 van het wetboek van strafvordering) anders, namelijk in eerste aanleg voor de raadkamer en pas in graad van beroep voor de kamer van inbeschuldigingstelling.

Men moet zich met andere woorden afvragen of een dergelijk optreden wel nog te situeren valt binnen een grondwetsconforme toepassing van de wet (die niet gesuggereerd werd door het Grondwettelijk Hof), dan wel of het hier gaat om een volledig nieuwe procesinvulling waarover enkel de wetgever zal kunnen beslissen.

De kamer van inbeschuldigingstelling wijst erop dat hierover onduidelijkheid bestaat en voegt eraan toe: “aldus ontstaat er veel rechtsonzekerheid voor de betrokken partijen”.

De kamer van inbeschuldigingstelling heeft de bal wat dat betreft nu dus teruggekaatst naar het Grondwettelijk Hof door het stellen van de hoger geciteerde vraag. Daarbij worden korte termijnen gevraagd voor de behandeling van de zaak, aangezien de hier besproken problematiek zich nu voordoet in diverse zaken die hangende zijn voor de kamer van inbeschuldigingstelling te Gent.

Men moet zich met andere woorden afvragen of een dergelijk optreden wel nog te situeren valt binnen een grondwetsconforme toepassing van de wet (die niet gesuggereerd werd door het Grondwettelijk Hof), dan wel of het hier gaat om een volledig nieuwe procesinvulling waarover enkel de wetgever zal kunnen beslissen.

Is er nog een toekomst weggelegd voor het voorrecht van rechtsmacht?

Uit deze verschillende arresten blijkt duidelijk dat de procedure van voorrecht van rechtsmacht tot allerlei procedurele problemen aanleiding kan geven. Meer fundamenteel moet men zich afvragen of het wel nog verantwoord is om magistraten en hoge functionarissen (en hun mededaders en medeplichtigen) anders te berechten dan een ‘gewone’ burger. In veel landen worden magistraten op dezelfde wijze als eenieder berecht, maar mogelijks wel in een ander rechtsgebied (zodat zij niet worden beoordeeld door rechtstreekse collega’s). Het valt moeilijk in te zien waarom dat niet zou volstaan. Nadeel aan de Belgische strafprocedure is wel dat eenieder die zelfs maar beweert benadeeld te zijn altijd de strafvordering kan instellen, zonder enige vorm van (rechterlijke) controle. Als dat ook zou gelden voor magistraten, ontstaat het risico op lichtzinnige klachten tegen magistraten (wat net de reden is geweest om in het voorrecht van rechtsmacht te voorzien). Dat probleem kan echter anders opgelost worden, bijvoorbeeld door te voorzien in een systeem waarbij een klacht tegen een magistraat eerst wordt beoordeeld op de ernst ervan alvorens de strafvordering wordt ingesteld. Maar eenmaal de strafvordering is ingesteld, wordt dan de ‘gewone’ procedure gevolgd.

Deel dit bericht

Verwante berichten

Materiële vaststellingen in een PV met bijzondere bewijswaarde zijn niet helemaal onaantastbaar In een arrest van 6 oktober 2020 (P.20.0477.N) verduidelijkt het Hof van Cassatie dat de rechter ook bij processen-verbaal met bijzondere bewijswaarde kan oordelen dat een bepaalde vermelding erin van de politie een verschrijving inhoudt. Een dergelijke materiële vergissing kan door de rechter verbeterd worden. lees meer Amanda Knox t. Italië: onvoldoende onderzoek naar mensonwaardige behandeling, gebrek aan bijstand en een te voortvarende tolk leiden tot oneerlijk proces Het verhaal van Amanda Knox is wellicht iedereen bekend. Deze Amerikaanse uitwisselingsstudente werd verdacht van de moord op Meredith Kercher in 2007 in Perugia (Italië) en zat hierdoor 4 jaar in de gevangenis in Italië. De zaak en het lange proces kregen heel wat media-aandacht. Na eerder te zijn veroordeeld, werd Amanda Knox uiteindelijk op 27 maart 2015 definitief vrijgesproken voor de moord bij arrest van het Italiaanse Hof van Cassatie. Op Netflix is intussen een documentaire te zien over de zaak.

Op 24 januari 2019 deed het EHRM uitspraak in de zaak Knox t. Italië. Dit arrest is een uitloper van de strafprocedure die in Italië tegen Amanda Knox werd...
lees meer
Ēcis t. Letland: ernstig ongelijke strafuitvoering mannen en vrouwen schendt de artikelen 14 en 8 EVRM In de zaak Ēcis t. Letland heeft het EHRM zich op 10 januari 2019 uitgesproken over de vraag of een verschillende behandeling van mannen en vrouwen bij de strafuitvoering al dan niet een schending oplevert van het EVRM.

De verzoeker zat in de gevangenis tussen 2002 en 2015. In 2008 verzocht hij om de begrafenis van zijn vader te kunnen bijwonen, maar dit werd geweigerd bij gebrek aan wettelijke grondslag. De verzoeker zat namelijk in een ‘maximum-security’ gevangenis en kwam daardoor naar Lets recht niet in aanmerking voor de gevraagde gunst. Naar aanleiding daarvan beklaagde hij zich erover dat andere wettelijke regelingen gelden bij de strafuitvoering van mannen dan het geval...
lees meer
Grondwettelijk Hof verfijnt strafrechtelijk gezag van gewijsde voor de burgerlijke rechter In een Valentijnsarrest van 14 februari 2019 heeft het Grondwettelijk Hof verduidelijkt dat het strafrechtelijk gezag van gewijsde zich er niet tegen verzet dat een definitief veroordeelde beklaagde die vervolgens is opgeroepen voor de burgerlijke rechter, in dat burgerlijk proces meegeniet van het bewijs van zijn onschuld dat geleverd wordt door een andere partij die niet bij het strafproces was betrokken. lees meer Interrogating young suspects (vol. I & vol. II) In 2015 werd een wetenschappelijk onderzoeksproject afgesloten met als titel Protecting young suspects in interrogations – a study on safeguards and best practice. Het onderzoek heeft betrekking op het verhoor van minderjarige verdachten en welke waarborgen er in dat verband bestaan in diverse landen, zowel in het recht als in de praktijk. Wat België betreft, werd aan het onderzoek deelgenomen door Joachim Meese voor de Universiteit Antwerpen. De studie verscheen ondertussen in boekvorm in twee delen. lees meer Kryževičius t. Litouwen: dwang om te getuigen tegen echtgenote schendt art. 8 EVRM Het EHRM heeft zich op 11 december 2018 in de zaak Kryzevicius t. Litouwen uitgesproken over een vraag met betrekking tot het getuigenverhoor tussen aanverwanten.

Met name werd de verzoeker veroordeeld omdat hij weigerde te getuigen tegen zijn echtgenote, die het statuut van 'special witness' had gekregen. Dat laatste komt er naar Litouws recht op neer dat er onvoldoende bewijs voorhanden is om haar te aanzien als verdachte, maar dat het niet uitgesloten is dat zij uiteindelijk als verdachte in aanmerking zal worden genomen. Het verbod om echtgenoten te dwingen tegen elkaar te getuigen, zou volgens Litouws recht in dat geval niet van toepassing zijn. Het EHRM komt tot het besluit...
lees meer
Cassatie stelt prejudiciële vraag over bestraffing onopzettelijke doding bij verkeersongeval In een arrest van 27 oktober 2020 heeft het Hof van Cassatie het verschil in bestraffing van onopzettelijke doding in verkeerscontext in vergelijking met andere vormen van onopzettelijke doding voorgelegd aan het Grondwettelijk Hof. lees meer Hof van Justitie spreekt zich opnieuw uit over dataretentie In twee belangrijke arresten van 6 oktober 2020 heeft het Hof van Justitie zich opnieuw uitgesproken over dataretentie. Wij vatten de belangrijkste conclusies van deze arresten voor u samen. lees meer Verplichte herstelexamens na herhaald plegen van zware verkeersmisdrijven niet ongrondwettig In een arrest van 28 mei 2019 heeft het Grondwettelijk Hof gepreciseerd dat het verplicht opleggen van herstelexamens na herhaald plegen van zware verkeersmisdrijven, zonder dat daarbij sprake is van rechterlijke beoordelingsvrijheid, niet ongrondwettig is. lees meer Potpourri II: een overzicht van de belangrijkste wijzigingen op vlak van strafprocesrecht De potpourri II-wet omvatte heel wat wijzigingen aan het materieel en formeel strafrecht en sommige daarvan zijn erg ingrijpend. In een bijdrage van de hand van Joachim Meese die verschenen is in aflevering 40 van jaargang 79 van het Rechtskundig Weekblad wordt een overzicht gegeven van de belangrijkste wijzigingen op vlak van strafprocesrecht. lees meer De DNA-wet van 22 maart 1999 een kwarteeuw later In een arrest van 4 februari 2020 (P.19.1068.N) heeft het Hof van Cassatie beslist dat een verdachte die de toegangscode tot een informaticasysteem kent (bijv. zijn eigen gsm-toestel), maar weigert die op te geven ondanks een daartoe strekkend bevel van de onderzoeksrechter, strafbaar is.

In het kader van de rubriek 'actualiteit' van het Rechtskundig Weekblad, werd hierover een kritische analyse van Joachim Meese gepubliceerd.
lees meer
Hof van Cassatie bevestigt onmiddellijke werking soepelere procedurewet In een arrest van 5 februari 2019 (P.18.0793.N) heeft het Hof van Cassatie bevestigd dat een soepelere procedurewet onmiddellijk van toepassing is op alle hangende zaken.

Op zich lijkt dat niet verrassend, ware het niet dat het Grondwettelijk Hof in een arrest van 8 november 2018 (nr. 153/2018) nog aangaf dat de door de politiediensten en de vervolgende instanties na te leven regels betreffende de bewijsvoering van de schuld van een persoon, in beginsel niet in het nadeel van die persoon mogen worden gewijzigd met terugwerkende kracht (overweging B.24.4).
lees meer
Toezeggingen aan criminelen in ruil voor verklaringen in België Op 22 en 23 november 2019 vindt te Brugge de jaarlijkse bijeenkomst van de Vereniging voor de vergelijkende studie van het recht van België en Nederland plaats. In de afdeling strafrecht van de vereniging zal het (zowel in België als in Nederland actuele) thema van de spijtoptant worden besproken.

Het preadvies aan Vlaamse kant werd geschreven door Joachim Meese en bevat onder meer een kritische analyse van de Belgische wettelijke regeling inzake spijtoptanten.
lees meer
Ook de beklaagde beschikt voortaan over een volgberoep Het Grondwettelijk Hof heeft zich in een arrest van 6 juni 2019 (nr. 96/2019) nog maar eens uitgesproken over het in 2016 gewijzigde hoger beroep in strafzaken. In essentie komt deze beslissing erop neer dat het volgberoep waarover het openbaar ministerie beschikt, ook moet openstaan voor de beklaagde.

We staan stil bij de concrete gevolgen van dit arrest en de nieuwe vragen waartoe het leidt.

Onze conclusie: anders dan wat de wetgever destijds heeft aangekondigd, is het nieuwe hoger beroep geen quick win. Het is een epic fail.
lees meer
Minnelijke schikking en vermoeden van onschuld In een arrest van 5 september 2019 deed het Hof van Justitie een interessante uitspraak over het vermoeden van onschuld. Met name werd beslist dat artikel 4, 1e lid van de richtlijn 2016/343 “zich niet ertegen verzet dat een schikking waarin de verdachte in ruil voor strafvermindering zijn schuld erkent, die door een nationale rechter moet worden goedgekeurd, uitdrukkelijk als mededaders van het betrokken strafbare feit niet alleen die verdachte vermeldt, maar ook andere verdachten die hun schuld niet hebben erkend en worden vervolgd in het kader van een afzonderlijke strafprocedure, op voorwaarde dat ten eerste die vermelding noodzakelijk is voor de kwalificatie van de juridische aansprakelijkheid van de persoon die deze... lees meer Getuigenverhoor van een undercoveragent: afwijzing vereist concrete motivering In een zaak waarin wij tussenkwamen voor de eiser in cassatie, besliste het Hof van Cassatie in een arrest van 23 januari 2024 dat het verzoek tot het horen van een undercoveragent als getuige ter terechtzitting, niet zomaar kan worden afgewezen. lees meer Actieve informatieplicht inzake terrorisme voor personeelsleden OCMW is ongrondwettig In een arrest van vandaag heeft het Grondwettelijk Hof beslist dat de actieve informatieplicht inzake terrorisme, die in 2017 werd ingevoerd voor personeelsleden van (onder meer) een OCMW, strijdig is met het legaliteitsbeginsel. lees meer Rooman t. België: langdurige detentie zonder gepaste zorg bij gebrek aan Duitstalige zorgverleners schendt art. 3 en 5 EVRM In een arrest van 31 januari 2019 (Rooman t. België) heeft de Grote Kamer België veroordeeld wegens schending van artikel 3 EVRM (onmenselijke behandeling) en artikel 5 EVRM (onwettige vrijheidsberoving). lees meer Duiding strafprocesrecht 2017 In de reeks Duiding uitgegeven door Larcier verscheen in 2017 een nieuwe editie van het boek Duiding strafprocesrecht. Het boek bevat verhelderende commentaren bij de belangrijkste bronnen van het strafprocesrecht, allen geschreven door verschillende academici, advocaten en magistraten. Joachim Meese is een van de editors, samen met Martine De Busscher, Dirk Van Der Kelen en Johan Verbist. lees meer Kobiashvili t. Georgië: over politionele informatie en onbetrouwbaar bewijs De zaak Kobiashvili t. Georgië begint op 4 juli 2004, wanneer de korpschef van de 'district police department' in Tbilisi een dringende opdracht geeft om Kobiashvili te fouilleren. De man zou namelijk in het bezit zijn van verdovende middelen die in beslag moeten worden genomen. Deze opdracht werd schriftelijk gegeven op een standaardformulier waarop de naam van de verzoeker met de hand werd ingevuld. De oorsprong van de opdracht zou terug te brengen zijn tot politionele informatie.

Bij uitvoering van deze opdracht zou gebleken zijn dat Kobiashvili inderdaad in het bezit was van 0,059 gram heroïne. Het dossier bevat ook twee verklaringen van getuigen die door de politie op straat zouden zijn...
lees meer
Ook hoger beroep tegen de beslissing die het verzet als gedaan beschouwt, maakt grond van de zaak aanhangig In een arrest van 26 september 2019 zegt het Grondwettelijk Hof dat artikel 187, §9, 2e lid van het Wetboek van Strafvordering de Grondwet schendt "in zoverre het niet bepaalt dat een hoger beroep tegen de beslissing die het verzet als gedaan beschouwt, inhoudt dat de grond van de zaak aanhangig wordt gemaakt bij de rechter in hoger beroep wanneer die laatste het verzet voor het eerst ongedaan verklaart in hoger beroep".

Wij geven wat toelichting bij deze beslissing.
lees meer
Justitie werkt voortaan samen met betrouwbare criminelen In aflevering 7 van het Rechtskundig Weekblad jaargang 82 verscheen een kritische kijk op twee wetten van 22 juli 2018 die op 7 augustus 2018 in het Staatsblad werden gepubliceerd. Sedert de inwerkingtreding van deze wetten op 17 augustus 2018 is het mogelijk om burgers te laten infiltreren in criminele organisaties (burgerinfiltratie) en om aan criminelen die een andere crimineel aan de galg te praten, toezeggingen te doen op vlak van straf voor de feiten die zij zelf hebben gepleegd (spijtoptanten, ook wel pentiti genoemd). lees meer Het bewijs in strafzaken Dit verslagboek van de XLIste postuniversitaire cyclus Willy Delva besteedt aandacht aan procesefficiëntie in zijn verschillende aspecten en dit zowel in het civiele, penale als het publiek procesrecht. Het boek bevat onder meer een bijdrage van Joachim Meese over het bewijs in strafzaken. Daarin bespreekt hij de bewijslast en de bewijsmiddelen, het onrechtmatig verkregen bewijs, de bewijswaardering en de bewijsstandaard. Vooral aan het leerstuk van het onrechtmatig verkregen bewijs wordt veel aandacht besteed. lees meer Burgerlijke partij die hoger beroep aantekent tegen buitenvervolgingstelling kan veroordeeld worden tot rechtsplegingsvergoeding In een arrest van 22 november 2018 (nr. 159/2018) heeft het Grondwettelijk Hof zich nog maar eens uitgesproken over de rechtsplegingsvergoeding in strafzaken.

Het Hof komt tot het besluit dat de ontstentenis van een wetsbepaling die de kamer van inbeschuldigingstelling toelaat een rechtsplegingsvergoeding ten laste te leggen van de burgerlijke partij die, zonder daarin te worden voorafgegaan of gevolgd door het openbaar ministerie, hoger beroep instelt tegen een beschikking van de raadkamer tot buitenvervolgingstelling gewezen op een strafvordering ingesteld door het openbaar ministerie en die daarbij in het ongelijk wordt gesteld, in strijd is met het gelijkheidsbeginsel.

Aangezien deze lacune is uitgedrukt in voldoende nauwkeurige en volledige bewoordingen, staat het aan de...
lees meer
Strafrecht geannoteerd 2018 Editie 2018 van het alom bekende en gebruikte wetboek Strafrecht geannoteerd. Deze editie is bijgewerkt tot en met 1 oktober 2018 en bundelt zoals steeds het ‘Strafwetboek’, het ‘Wetboek van Strafvordering’ en een aantal relevante bijzondere wetten. lees meer Verzoekschrift voorlopige invrijheidstelling ingediend per fax na het sluiten der griffie is neergelegd op de volgende werkdag In een arrest van 29 november 2019 verduidelijkt het Hof van Cassatie dat wanneer een verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling per fax is ingediend na het sluitingsuur van de griffie (16u), de termijn van vijf dagen om uitspraak te doen over dat verzoek pas begint te lopen op de dag waarop de ontvangst van de fax op de griffie wordt vastgesteld binnen de openingsuren van de griffie. lees meer Veroordeling tot betaling van de tegenwaarde van de verbeurdverklaarde goederen schendt de Grondwet niet In een arrest van 31 januari 2019 (nr. 16/2019) heeft het Grondwettelijk Hof zich uitgesproken over de veroordeling tot de betaling van de tegenwaarde van de verbeurdverklaarde goederen die kan worden uitgesproken in douanestrafzaken.

Krachtens artikel 221, § 1, van de algemene wet inzake douane en accijnzen(AWDA) dient de rechter die een in artikel 220 van de AWDA bedoeld douanemisdrijf bewezen acht, de betrokken goederen verbeurd te verklaren, waardoor de Belgische Staat van rechtswege eigenaar wordt van die goederen.

Teneinde de rechten van de Belgische Staat te vrijwaren, dient de rechter die de verbeurdverklaring uitspreekt, daaraan tevens, op vordering van de directeur der douane en accijnzen, een veroordeling te koppelen tot betaling...
lees meer
De impact van de EU op het recht op informatie in het strafproces: hoog tijd voor een Miranda-warning in België In het Nederlandse tijdschrift Strafblad is een artikel verschenen van Joachim Meese waarin hij pleit voor de invoering van een Miranda-warning in België en bij uitbreiding in de andere lidstaten van de Europese Unie die deze regel nog niet kennen.

Met een Miranda-warning wordt bedoeld dat bij elke arrestatie onmiddellijk een kennisgeving moet gebeuren van de rechten waarover de gearresteerde beschikt. Het gaat dan met name om het recht op bijstand van een advocaat, het zwijgrecht en het verbod van gedwongen zelfincriminatie. De term is afkomstig van het alom gekende arrest Miranda v. Arizona uit 1964 (US Supreme Court 13 juni 1966, Miranda vs Arizona, 384 U.S. 436). In dit arrest...
lees meer
Grievenformulier mag niet te soepel maar ook niet te streng beoordeeld worden In een arrest van 5 maart 2019 (P.18.1158.N) heeft het Hof van Cassatie zich nog maar eens uitgesproken over het grievenformulier in strafzaken.

Om na te gaan of de grieven voldoende nauwkeurig zijn geformuleerd, moet de appelrechter rekening houden met de wijze waarop de appellant in het verzoekschrift of grievenformulier de grieven heeft vermeld. Het Hof van Cassatie verduidelijkt dat de rechter bij die beoordeling niet overdreven soepel mag zijn omdat anders de bedoeling van de wetgever om ondoordachte hogere beroepen te vermijden niet kan worden bereikt, maar dat hij evenmin overdreven formalistisch mag zijn omdat anders het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht van toegang tot de rechter dreigt in...
lees meer
Hof van Cassatie stelt drie prejudiciële vragen over voorrecht van rechtsmacht In een zaak behandeld door ons kantoor heeft het Hof van Cassatie in een arrest van 26 november 2019 (P.19.0811.N) drie prejudiciële vragen gesteld aan het Grondwettelijk Hof over het voorrecht van rechtsmacht. In de zaak die aanleiding gaf tot het arrest, was een medeverdachte rechtstreeks gedagvaard na een gerechtelijk onderzoek gevoerd door een raadsheer-onderzoeksrechter en nadat de strafvordering lastens de houder van het voorrecht van rechtsmacht was vervallen wegens het betalen van een minnelijke schikking. lees meer Een Europees onderzoeksbevel is geen Europees aanhoudingsbevel In een arrest van 8 december 2020 (C-584/19) besliste het Hof van Justitie dat een Europees onderzoeksbevel kan worden uitgevaardigd door een parketmagistraat die niet onafhankelijk is van de uitvoerende macht. Anders dus dan wat werd aangenomen met betrekking tot het uitvaardigen van een Europees aanhoudingsbevel. lees meer Voorrecht van rechtsmacht Voorrecht van rechtsmacht is een bijzondere procedure die gevolgd wordt voor de berechting van magistraten (rechters en parketmagistraten) en hoge functionarissen (bijv. een provinciegouverneur). Bij uitbreiding is de procedure ook van toepassing op plaatsvervangende magistraten en op eenieder die samen met een magistraat wordt vervolgd. lees meer Beroepsverbod kan ook opgelegd worden aan een rechtspersoon Artikel 7bis Strafwetboek somt de straffen op die kunnen worden opgelegd aan een rechtspersoon.

Die opsomming is echter niet volledig, zo blijkt uit een arrest van het Hof van Cassatie van 30 april 2019 (P.18.1265.N). Ook straffen die in bijzondere strafwetgeving zijn opgenomen, kunnen op rechtspersonen toepasselijk zijn en een voorbeeld daarvan is het beroepsverbod dat op basis van de wet beroepsuitoefeningsverbod kan worden opgelegd.
lees meer
Deadline pilootarrest internering is verstreken Vandaag is het exact twee jaar geleden dat het pilootarrest W.D. tegen België van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) definitief is geworden. In dat arrest werd ons land veroordeeld voor de wijze waarop geïnterneerden worden behandeld in de Belgische gevangenissen. Er werd een termijn van twee jaar voorzien om orde op zaken te stellen en die termijn is nu dus voorbij.

Wij maken van de gelegenheid gebruik om de inhoud van het arrest W.D. nog even in herinnering te brengen, maar ook om stil te staan bij de figuur van het pilootarrest. En uiteraard kijken we ook even naar de huidige stand van zaken en het standpunt van het...
lees meer
Hasan Köse t. Turkije: straf met uitstel wegens ernstig politiegeweld schendt art. 2 EVRM In een arrest van vandaag (Hasan Köse t. Turkije) heeft het EHRM zich nogmaals uitgesproken over de positieve verplichting die op de overheid rust om voorvallen van ernstig politiegeweld te onderzoeken en te bestraffen.

De verzoeker werd samen met zijn broer op weg naar het werk gestopt door de wegpolitie. Toen zij om identificatie vroegen van de twee politieagenten, raakten de gemoederen verhit en begonnen de politieagenten de broers te slaan en maakten zij gebruik van traangas. Ze toonden geen identificatie, wat de broers deed vrezen dat ze te maken hadden met dieven die zich hadden vermomd als politie. Een van de broers trachtte een knuppel uit zijn wagen te halen,...
lees meer
Retroactieve verlenging van verjaringstermijn is ongrondwettig In een arrest van 4 april 2019 bevestigt het Grondwettelijk Hof een principe dat evident lijkt maar in 2018 toch door de wetgever werd miskend: een verlenging van de verjaring van de strafvordering kan niet van toepassing worden verklaard op een datum die aan de publicatie van de wet in het Staatsblad voorafgaat.

Concreet gaat het hier om de wet van 6 maart 2018 tot verbetering van de verkeersveiligheid, die onder meer de verjaringstermijn voor de meeste verkeersdelicten heeft verlengd tot twee jaar.

Opgemerkt kan worden dat diezelfde wet ook nog andere bepalingen bevat die met miskenning van het legaliteitsbeginsel retroactief van toepassing werden verklaard ...

lees meer
Gjini t. Servië: geweld tussen gedetineerden vereist ook zonder strafklacht grondig onderzoek In een arrest van vandaag deed het EHRM uitspraak in een zaak waarin de verzoeker, een Kroatische onderdaan, ernstig fysiek en mentaal werd mishandeld in een Servische gevangenis door Servische medegedetineerden (zie het overzicht van de feiten in de randnes. 11-22 van het arrest). Deze mishandeling stopte pas nadat de advocaat van de verzoeker om een overplaatsing had verzocht nadat hij had gezien dat er duidelijk iets aan zijn cliënt schortte, ook al wou hijzelf daarover niets kwijt.

Interessant aan het arrest is dat het EHRM de exceptie van de Servische overheid dat niet alle interne rechtsmiddelen werden uitgeput (art. 35 EVRM), verwerpt: het feit dat de verzoeker geen strafklacht heeft...
lees meer
Een analyse van twee potpourri-ingrediënten Naar aanleiding van de studiecyclus die in 2017 werd georganiseerd door de Vlaamse Conferentie der balie van Gent verscheen het verslagboek met daarin bijdragen van alle sprekers. Het verslagboek bevat onder meer de bijdrage van Joachim Meese over twee aspecten van de zogenaamde potpourri II-wet. Een eerste deel betreft de regeling inzake conclusietermijnen in strafzaken. Een tweede deel handelt over het hoger beroep in strafzaken. lees meer Afschaffing onmiddellijk cassatieberoep inzake uithandengeving is ongrondwettig In een arrest van 25 oktober 2019 oordeelt het Grondwettelijk Hof dat het feit dat geen onmiddellijk cassatieberoep kan worden ingesteld tegen de beslissing tot uithandengeving, niet verenigbaar is met de Grondwet.

Het concreet gevolg van dit arrest is dat artikel 420 van het Wetboek van Strafvordering voortaan geen hinderpaal meer kan vormen voor het op ontvankelijke wijze instellen van een onmiddellijk cassatieberoep tegen beslissingen tot uithandengeving.
lees meer
Geen beperking voor opschorting en uitstel bij drugfeiten maar wel bij druggerelateerde feiten: niet ongrondwettig In een arrest van 6 december 2018 (nr. 176/2018) heeft het Grondwettelijk Hof zich uitgesproken over de vraag of het feit dat de Probatiewet alleen de beklaagde die vervolgd wordt wegens een overtreding van de Drugswet toelaat het voordeel te genieten van opschorting en uitstel van de uitspraak, zelfs indien hij niet voldoet aan de bij de artikelen 3 en 8 van die wet gestelde voorwaarden met betrekking tot de vroegere veroordelingen, terwijl die gunst wordt geweigerd aan de beklaagde die andere misdrijven heeft gepleegd met het oog op zijn eigen drugsgebruik. lees meer Adamčo t. Slowakije: onvolkomen rechterlijke controle op getuigenbewijs afkomstig van spijtoptant schendt recht op eerlijk proces Het arrest in de zaak Adamčo t. Slowakije (EHRM 12 november 2019) is interessant omdat het Hof zich daarin onder meer uitspreekt over de gevolgen van het gebruik van een belastende verklaring afgelegd door een getuige die hiervoor als medebeklaagde zelf voordelen heeft genoten bij zijn eigen vervolging. Of eenvoudiger uitgedrukt: een spijtoptant.

Bij onze bespreking van dit arrest komen wij tot het besluit dat Belgische zaken waarin verklaringen van getuigen worden gebruikt die hiervoor voordelen hebben bekomen buiten de Belgische algemene spijtoptantenregeling om, tot heel wat discussie aanleiding lijken te kunnen geven in de toekomst.
lees meer
Het recht van de beklaagde om persoonlijk aanwezig te zijn bij het strafproces In een arrest van 30 mei 2017 heeft het Hof van Cassatie uitspraak gedaan over het recht van de beklaagde om zelf aanwezig te zijn op het strafproces en eraan deel te nemen. In de noot bij dit arrest, wordt aandacht besteed aan de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, waaruit blijkt dat van het recht op persoonlijke deelname aan het strafproces slechts in uitzonderlijke omstandigheden mag worden afgeweken. lees meer Strafrecht in de onderneming Dit boek benadert het straf- en het strafprocesrecht praktisch vanuit het standpunt van de ondernemer. Voor veel ondernemers is het strafrecht als ondernemersrisico nog steeds een grote onbekende. Nochtans wijst de actualiteit erop dat de strafrechtelijke risico’s voor de ondernemer niet verwaarloosbaar zijn. lees meer Hoger beroep door het openbaar ministerie bij het appelgerecht In een arrest van 23 oktober 2018 heeft het Hof van Cassatie gezorgd voor meer duidelijkheid over de wijze waarop het openbaar ministerie bij het appelgerecht hoger beroep moet instellen. De eiser in cassatie, vertegenwoordigd en bijgestaan door ons kantoor, had aangevoerd dat het hoger beroep door het openbaar ministerie bij het appelgerecht onontvankelijk had moeten worden verklaard omdat de akte van betekening van het hoger beroep met daarin de opgave van de grieven niet binnen de beroepstermijn ter griffie was neergelegd. Het Hof van Cassatie volgde deze redenering en vernietigde de bestreden beslissing: wanneer het openbaar ministerie hoger beroep aantekent op de wijze bedoeld in art. 205 van het... lees meer Over nummerplaten, privacy en de verkeersboete Er is de voorbije week heel wat te doen geweest over de arresten van het Hof van Cassatie van 13 december 2016 aangaande de identificatie van de houder van een nummerplaat door de politie. Meteen hadden heel wat burgers vragen bij de rechtsgeldigheid van de verkeersboetes die in het verleden werden betaald of die nog te betalen vallen. lees meer De rechtsmiddelen verzet en hoger beroep: actualia In 2017 gaf Joachim Meese samen met prof. dr. Philip Traest een lezing over de rechtsmiddelen verzet en hoger beroep in strafzaken ter gelegenheid van de XLIIste Postuniversitaire Cyclus Willy Delva. Ondertussen is het verslagboek van deze prestigieuze cyclus verschenen bij uitgeverij Wolters Kluwer. Het is een bijzonder lijvig boek geworden met niet minder dan 16 interessante bijdragen over strafrechtelijke thema’s. In de tekst die Joachim Meese samen met zijn collega aan de Gentse universiteit Philip Traest heeft geschreven, worden de rechtsmiddelen verzet en hoger beroep aan een kritische analyse onderworpen. lees meer Openbaar ministerie mag advies verlenen bij loutere afhandeling burgerlijke belangen In een arrest van 29 september 2020 heeft het Hof van Cassatie verduidelijkt dat het openbaar minsterie bij de afhandeling van de burgerlijke belangen aanwezig mag zijn ter terechtzitting en er zijn advies over de beoordeling van de burgerlijke vordering kenbaar mag maken. lees meer Weigering om getuige à décharge te horen vereist concrete motivering Over de verplichting van de vonnisrechter om getuigen à charge te horen wanneer de beklaagde daarom verzoekt, is het standpunt van de rechtspraak ondertussen genoegzaam bekend. Gaat het echter om een vraag tot het horen van een getuige à décharge, dan is de toestand iets anders.

Een arrest van 26 februari 2019 van het Hof van Cassatie (P.18.1028.N) brengt daarover nu verheldering.
lees meer
Dataretentie: het hof van justitie waakt over onze privacy In nummer 41 van jaargang 80 van het tijdschrift Rechtskundig Weekblad verscheen een kanttekening van Joachim Meese over dataretentie door telecomoperatoren. Daarbij gaat het over het bewaren en opvragen van gegevens (‘metadata’) van telecommunicatie. Uit die gegevens kan heel wat informatie worden gehaald, zoals het tijdstip en de duur van telefoongesprekken, de bestemmeling ervan en zelfs het surfgedrag. lees meer Kan een verdachte gedwongen worden een smartphone of pc te ontgrendelen? Gelezen in HUMO: VRT-journalist Bart Aerts over de huiszoeking waarbij zijn iPhone in beslag werd genomen: “Ze hebben mij in Brugge gevraagd om mijn toegangscode en pincode op een papiertje te schrijven. Uiteindelijk heb ik mijn toegangscode gegeven. Ik was murw, ik had al die tijd niets gegeten. Ik dacht: ‘anders blijft het hier maar duren’. (…) Het gebeurde onder lichte dwang. Ze zeiden dat een team van specialisten er hoe dan ook in zou slagen mijn iPhone uit te lezen.” Hoe zit het nu eigenlijk met het uitlezen van smartphones en andere digitale apparaten in strafzaken en vooral: kan een verdachte verplicht worden om het toestel te ontgrendelen of... lees meer