Retroactieve verlenging van verjaringstermijn is ongrondwettig

4 APRIL 2019
update 10 september 2019: in een arrest van 3 september 2019 van het hof van cassatie (P.19.0142.N) wordt dit bevestigd.

In een arrest van 4 april 2019 (nr. 54/2019) bevestigt het Grondwettelijk Hof een principe dat evident lijkt maar in 2018 toch door de wetgever werd miskend: een verlenging van de verjaring van de strafvordering kan niet van toepassing worden verklaard op een datum die aan de publicatie van de wet in het Staatsblad voorafgaat.

Concreet ging het om de wet van 6 maart 2018 ter verbetering van de verkeersveiligheid, die in het Belgisch Staatsblad werd gepubliceerd op 15 maart 2018. Vreemd genoeg bevat die wet een overgangsbepaling die de inwerkingtreding vooropstelt op 15 februari 2018, dus een maand eerder dan de publicatie (art. 26 van diezelfde wet, dat wel een latere inwerkingtreding voorziet voor enkele opgesomde artikelen van de wet).

De algemene regel is dat een wet pas in werking treedt 10 dagen na publicatie in het Staatsblad (art. 4 van de wet van 31 mei 1961 betreffende het gebruik der talen in wetgevingszaken, het opmaken, bekendmaken en inwerkingtreden van wetten en verordeningen), tenzij de wet een andere inwerkingtreding vooropstelt. Wat dat laatste betreft zijn er tal van voorbeelden van inwerkingtredingen op de dag van publicatie of van een uitgestelde inwerkingtreding op een welbepaalde datum in de toekomst. Een inwerkingtreding die aan de publicatie voorafgaat, is echter bizar en nergens uit de voorbereidende werkzaamheden bij de wet van 6 maart 2018 blijkt waarom de wetgever in dat geval een overgangsregeling in die zin heeft opgenomen.

Verlenging van de verjaringstermijn

Alhoewel de wet van 6 maart 2018 verschillende aspecten bevat, ging het in het arrest van het Grondwettelijk Hof enkel over de verlenging van de verjaringstermijn in verkeerszaken van één naar twee jaar.

Het Grondwettelijk Hof wijst er op dat een retroactieve verlenging van de verjaringstermijn tot gevolg heeft dat de strafvorderingen herleven die definitief verjaard waren op grond van de vroegere wet in de periode van 15 februari 2018 tot 15 maart 2018. Daardoor wordt afbreuk gedaan aan de waarborg van rechtszekerheid die met de verjaring wordt beoogd en die in strafzaken inhoudt dat de dader van een misdrijf niet meer kan worden vervolgd of berecht na het verstrijken van een bepaalde termijn sedert de feiten zich hebben voorgedaan (overweging B.6 van het arrest).

Die overweging is uiteraard terecht, anders zou de wetgever net zo goed feiten die al geruime tijd verjaard zijn, opnieuw vervolgbaar kunnen maken door een nieuwe wet. Dat is uiteraard iets totaal anders dan het onmiddellijk toepassen van een langere verjaringstermijn op lopende zaken (die dus nog niet verjaard zijn op het ogenblik waarop een nieuwe wet wordt gepubliceerd in het Staatsblad en dus kenbaar is), wat wel toegelaten is.

En wat met de andere wijzigingen?

Opgemerkt kan worden dat de wet van 6 maart 2018 nog andere wijzigingen bevat waarvan de inwerkingtreding werd bepaald op 15 februari 2018, terwijl dat overduidelijk in strijd is met het legaliteitsbeginsel. Zo werd een nieuwe strafbaarstelling ingevoerd in art. 29ter Wegverkeerswet. Die wijziging heeft betrekking op de natuurlijke persoon die bewijst dat hij niet zelf de bestuurder is van een voertuig waarmee een verkeersovertreding werd begaan maar verzuimt om de identiteit van de werkelijke bestuurder kenbaar te maken (zie art. 67 Wegverkeerswet). Uiteraard kan ook een nieuwe strafbaarstelling niet retroactief worden ingevoerd, niet alleen omdat het ongrondwettig is maar ook omdat het in strijd is met art. 2 van het Strafwetboek en met art. 7 EVRM.

Ook wat dat betreft zou er zonder twijfel dus een ongrondwettigheid worden vastgesteld zo het Grondwettelijk Hof erover zou worden bevraagd.

Eigenlijk kan het wel verontrustend worden genoemd dat de wetgever zo lichtzinnig omspringt met een zo evidente zekerheid als het legaliteitsbeginsel …

Deel dit bericht

Met Criminis snelnieuws proberen we u zo snel mogelijk in kort bestek op de hoogte te brengen van nieuwe evoluties in het strafrecht.

Hebt u zelf nieuws dat hiervoor in aanmerking komt?

Laat het ons weten

Blijf op de Hoogte!

Wenst u graag op de hoogte te blijven van belangrijke nieuwe wetgeving of rechtspraak in het strafrecht, of van nieuwe publicaties of lezingen van Joachim Meese, meld u dan aan voor onze berichtgeving.

Wij respecteren uw privacy. U kan bij elke mail heel eenvoudig uw inschrijving stopzetten of uw voorkeuren aanpassen. U ontvangt dus van ons nooit meer mails dan u wenst.

CONTACT

bvba Joachim Meese
Beukenpark 111
B-9880 Aalter
tel +32 (0)475 39 54 10
fax +32(0)9 395 46 92
advocaat@jmeese.be

VOLGENDE LEZING

REKENINGEN

Kantoorrekening
IBAN BE61 6511 4711 1317
BIC KEYTBEBB

Derdenrekening
IBAN BE63 6301 9510 0708
BIC BBRUBEBB

RECENTSTE CRIMINISBERICHT

NIEUWSTE PUBLICATIE

LAATSTE TWEETS

© 2018-2019 bvba Joachim Meese | KBO 0821.420.546 | Privacy verklaring | Disclaimer | Verklarende woordenlijst

Blijf op de Hoogte!

Wenst u graag op de hoogte te blijven van belangrijke nieuwe wetgeving of rechtspraak in het strafrecht, of van nieuwe publicaties of lezingen van Joachim Meese, meld u dan aan voor onze berichtgeving.

Wij respecteren uw privacy. U kan bij elke mail heel eenvoudig uw inschrijving stopzetten of uw voorkeuren aanpassen. U ontvangt dus van ons nooit meer mails dan u wenst.

CONTACT

bvba Joachim Meese
Beukenpark 111
B-9880 Aalter
tel +32 (0)475 39 54 10
fax +32(0)9 395 46 92
advocaat@jmeese.be

REKENINGEN

Kantoorrekening
IBAN BE61 ‍6511 4711 1317
BIC KEYTBEBB

Derdenrekening
IBAN BE63 ‍6301 9510 0708
BIC BBRUBEBB

VOLGENDE LEZING

RECENTSTE CRIMINISBERICHT

NIEUWSTE PUBLICATIE

LAATSTE TWEET

© 2018-2019 bvba Joachim Meese | KBO 0821.420.546