smartphone
smartphone

Kan een verdachte gedwongen worden een smartphone of pc te ontgrendelen?

5 OKTOBER 2017

Deze week in HUMO: VRT-journalist Bart Aerts over de huiszoeking waarbij zijn iPhone in beslag werd genomen: “Ze hebben mij in Brugge gevraagd om mijn toegangscode en pincode op een papiertje te schrijven. Uiteindelijk heb ik mijn toegangscode gegeven. Ik was murw, ik had al die tijd niets gegeten. Ik dacht: ‘anders blijft het hier maar duren’. (…) Het gebeurde onder lichte dwang. Ze zeiden dat een team van specialisten er hoe dan ook in zou slagen mijn iPhone uit te lezen.”

Hoe zit het nu eigenlijk met het uitlezen van smartphones en andere digitale apparaten in strafzaken en vooral: kan een verdachte verplicht worden om het toestel te ontgrendelen of de code te geven?

Een massale bron van informatie

De hoeveelheid gegevens die vandaag de dag op een smartphone worden opgeslagen, is enorm. Het gaat daarbij uiteraard al lang niet meer enkel over de traditionele telefoniegegevens (zoals het tijdstip en de duur van een gesprek of de inhoud van tekstberichten). Bij zowat iedereen biedt de smartphone ook toegang tot e-mails, surfgedrag, foto’s en zelfs bezochte locaties. Ook het opslaan van medische gegevens (hartslag, calorieverbruik, …) vindt meer en meer toepassing. En dan zijn er uiteraard nog talloze apps waarin allerhande gegevens kunnen worden bewaard.

Het spreekt dus voor zich dat de inhoud van een smartphone of andere toestellen (bijv. een smartwatch of een tablet, maar evenzeer een laptop of desktop) voor opsporinsinstanties een bijzonder belangrijke bron van informatie kan opleveren. Daar staat ook tegenover dat de inbreuk op de privacy die met het doorzoeken van een smartphone gepaard gaat, immens kan zijn.

Face ID, Touch ID, passcode

Uiteraard kunnen deze toestellen wel in beslag worden genomen in het kader van een strafonderzoek, maar dat betekent nog niet noodzakelijk dat de onderzoekers daarmee ook kennis kunnen nemen van de inhoud ervan. De meeste toestellen zijn immers vergrendeld en kunnen maar worden ontgrendeld door het ingeven van een wachtwoord of door gebruik te maken van biometrie. Het gebruik van vingerafdrukken is intussen al ingeburgerd sedert de invoering van Touch ID. Recent werd ook Face ID aangekondigd, waarbij het zal volstaan dat de gebruiker een iPhone aankijkt om die te ontgrendelen.

Alhoewel de inhoud van een smartphone erg regelmatig wordt gebruikt in strafzaken, is het opvallend dat daarbij zelden de vraag aan bod komt of een verdachte eigenlijk wel kan gedwongen worden om de onderzoekers toegang te verschaffen tot zijn smartphone (of eender welk ander toestel). Het antwoord op die vraag is echter niet zo voor de hand liggend.

Er moet op gewezen worden dat onderzoekers in elk geval de inhoud van een of ander in beslag genomen toestel mogen raadplegen wanneer zij dat kunnen doen. Is het toestel niet beveiligd met een wachtwoord of toegangssysteem, dan belet niets de onderzoekers het toestel te onderzoeken of de inhoud ervan te kopiëren. Is er wel sprake van beveiliging, dan kunnen de onderzoekers sedert de wet digitaal speurwerk van 25 december 2016 trachten de beveiliging op te heffen, bijv. door het gebruik van decryptiesoftware of zelfs malware.

Hacking door de politie

Alvorens die vraag te beantwoorden, moet erop gewezen worden dat onderzoekers in elk geval de inhoud van een of ander in beslag genomen toestel mogen raadplegen wanneer zij dat kunnen doen. Is het toestel niet beveiligd met een wachtwoord of toegangssysteem, dan belet niets de onderzoekers het toestel te onderzoeken of de inhoud ervan te kopiëren. Is er wel sprake van beveiliging, dan kunnen de onderzoekers sedert de wet digitaal speurwerk van 25 december 2016 trachten de beveiliging op te heffen, bijv. door het gebruik van decryptiesoftware of zelfs malware (art. 39bis, §5 Wetboek van Strafvordering).

Meer nog, men kan zelfs trachten vanop afstand heimelijk toegang te verkrijgen tot een computersysteem (bijv. een smartphone) door middel van hacking. Op die manier kan niet alleen de inhoud van dat systeem worden geraadpleegd, maar kan men ook in real time volgen wat er op het toestel gebeurt (art. 90ter en volgende Wetboek van Strafvordering). De ultieme observatie dus: niet enkel afluisteren, maar meteen ook locatiegegevens bekomen en allerhande andere gegevens.

Verplichte medewerking van de verdachte?

Terug naar de hoger gestelde vraag. Is er geen sprake van een heimelijke hacking, maar van een eenvoudige inbeslagname van een toestel dat vergrendeld is, dan zijn er voor de onderzoekers twee opties. Ofwel slagen zij er zelf in om toegang te verkrijgen tot het toestel, ofwel vragen zij de verdachte het toestel te ontgrendelen of het wachtwoord of de code op te geven.

De eerste optie is niet zo voor de hand liggend. Een degelijk aangemaakte code is heden ten dage immers niet eenvoudig te kraken. De tweede optie levert geen probleem op als de verdachte vrijwillig instemt, maar wat als hij weigert?

Een pasklaar antwoord op die vraag biedt de wet niet.

Art. 88quater, §2 van het Wetboek van Strafvordering voorziet wel in de mogelijkheid om bepaalde personen te verplichten om mee te werken aan een zoeking in een informaticasysteem door zelf het systeem te bedienen. De weigering dat te doen, is strafbaar. Een dergelijk bevel kan echter niet worden gegeven aan de verdachte of zijn familieleden (namelijk de bloedverwanten in de opgaande of de nederdalende lijn, de broers en zussen of aanverwanten in dezelfde graad, en de vrouw of man, zelfs na echtscheiding).

Daarnaast voorziet art. 88quater, §1 van het Wetboek van Strafvordering in een medewerkingsverplichting voor eenieder die een bijzondere kennis heeft van het te onderzoeken systeem (bijv. softwarespecialisten of beveiligingsexperten). Met betrekking tot die verplichting is niet uitdrukkelijk vermeld dat het bevel niet aan de verdachte of zijn familie kan worden gegeven. Het hof van beroep te Gent besliste alvast dat deze bepaling niet zo kan worden gelezen dat de verdachte kan worden gestraft als hij weigert zijn logingegevens op te geven (Gent 23 juni 2015, NJW 2016, 134 en T.Strafr. 2016, 239).

Nemo tenetur en zwijgrecht

Dat het moeilijk ligt een verdachte te verplichten om zijn logingegevens prijs te geven, heeft te maken met het beginsel nemo tenetur. Dat houdt in dat de overheid niemand kan dwingen zichzelf te incrimineren. Het beginsel is ruimer dan het loutere recht om te zwijgen, maar houdt daarmee wel verband. Deze principes behoren tot de internationaal erkende standaarden die de kern uitmaken van het recht op een eerlijk proces. Ze dragen ertoe bij dat een verdachte beschermd wordt tegen fysieke of psychische druk om mee te werken aan de bewijsvoering en zetten er de overheid toe aan om de schuld van de verdachte te bewijzen zonder zich te beroepen op middelen die ingaan tegen de vrije wil van de verdachte. Verder is er ook een verband met het vermoeden van onschuld en het feit dat de bewijslast op de schouders van de overheid rust. De overheid mag die bewijslast niet omdraaien door de verdachte te verplichten tot medewerking.

Of de verplichting tot medewerking de vrije wil aantast, blijkt voor het EHRM (Europees Hof voor de Rechten van de Mens) belangrijk te zijn. Daarom is verboden om een verdachte te dwingen een verklaring af te leggen (zie bijv. EHRM 21 december 2000, Heany & McGuiness t. Ierland). Wat wel kan, is het toepassen van dwang om bewijs te verzamelen dat bestaat onafhankelijk van de vrije wil van de verdachte. Hij kan dus gedwongen worden iets te doen voor zover dat niet leidt tot een onmenselijke of vernederende behandeling of tot een aantasting van de fysieke of psychische integriteit en voor zover het geen dwang betreft om te spreken. Men kan een verdachte dus dwingen om bloed of speeksel af te staan of een urinetest of een stemtest te ondergaan, maar men mag hem bijv. geen braakmiddel toedienen om zijn maaginhoud te kunnen controleren (EHRM 11 juli 2006, Jalloh t. Duitsland). Bij die beoordeling komt wel wat casuïstiek te pas. Het EHRM zal namelijk nagaan of het gebruik van dwang niet heeft geleid tot een al te grote aantasting (of zelfs uitholling) van het zwijgrecht en van het recht om niet te worden gedwongen mee te werken aan de eigen veroordeling. Daarbij worden verschillende factoren in rekening gebracht: de aard en de intensiteit van de gebruikte dwang, het bestaan van procedurele waarborgen die gepaard gaan met de dwanguitoefening en het gebruik van het aldus bekomen bewijs in de strafzaak (bijv. EHRM 29 juni 2007, O’Halloran & Francis t. het Verenigd Koninkrijk).

Toepassing op computersystemen?

Alhoewel er nog geen rechtspraak is van het EHRM waarbij deze principes worden toegepast op de verplichting tot ontgrendeling van computersystemen, lijken de volgende uitgangspunten waarschijnlijk wanneer voortgebouwd wordt op de bestaande rechtspraak:

  • De verplichting om een wachtwoord op te geven, komt feitelijk neer op de verplichting om een verklaring af te leggen. Dat is dus verboden want in strijd met het zwijgrecht.
  • De verplichting om zelf het wachtwoord in te geven in het computersysteem, komt neer op dwang tot het stellen van een handeling die afhankelijk is van de vrije wil. Het wachtwoord is namelijk enkel gekend in de geest van de verdachte en bestaat niet los van zijn vrije wil. Deze verplichting is dus wellicht verboden want in strijd met het beginsel nemo tenetur.
  • De dwang gebruikt om een computersysteem te ontgrendelen via biometrie (bijv. door de vinger van de verdachte onder dwang op het toestel te plaatsen) lijkt mogelijk omdat de biometrische gegevens los staan van de vrije wil van de verdachte. Deze categorie kan wel de meeste problemen opleveren. Wat bijv. met Face ID? Kan de verdachte gedwongen worden de ogen open te houden of is ook dat afhankelijk van de vrije wil?

Een en ander toont wel aan dat een benadering van het zwijgrecht en het beginsel nemo teneturwaarbij vooral het criterium van de vrije wil centraal staat, niet eenvoudig toe te passen is in een digitale leefwereld.

Wellicht vereist een logische oplossing dat teruggegrepen wordt naar wat met het beginsel nemo tenetur en het zwijgrecht in wezen beoogd wordt, namelijk het verhinderen dat de verdachte moet prijsgeven wat hij weet om op die manier het onderzoek vooruit te helpen. Niet zozeer het verhinderen dat de verdachte gedwongen wordt om iets te doen. Maar ook wat dat betreft is de grens soms dun. Men kan een verdachte bijv. niet verplichten om uit een grote stapel documenten die documenten te filteren die voor hem belastend zijn. De onderzoekers kunnen de stapel wel zelf onderzoeken, maar kunnen de verdachte dus niet dwingen een selectie te maken (voor zover dat al slim zou zijn). Net zomin kan men een verdachte dwingen om bijv. de zwarte boekhouding waarvan men weet dat die ergens in een pc verborgen zit, bloot te leggen. Het verbod tot gedwongen zelfincriminatie gaat dus wel degelijk verder dan het verbod op afgedwongen verklaringen.

Maar wat als wat de verdachte weet eigenlijk niets meer is dan een sleutel tot allerhande informatie die er is (in de vorm van bestanden zoals gescande documenten, foto’s, notities, een digitaal dagboek, …)? In de werkelijke wereld kan dergelijke informatie perfect in beslag genomen worden. Bestaat diezelfde informatie slechts virtueel of digitaal, dan is het heel wat makkelijker voor een verdachte om die informatie voor de onderzoekers verborgen te houden.

Maar wat als wat de verdachte weet eigenlijk niets meer is dan een sleutel tot allerhande informatie die er is (in de vorm van bestanden zoals gescande documenten, foto’s, notities, een digitaal dagboek, …)? In de werkelijke wereld kan dergelijke informatie perfect in beslag genomen worden. Bestaat diezelfde informatie slechts virtueel of digitaal, dan is het heel wat makkelijker voor een verdachte om die informatie voor de onderzoekers verborgen te houden. Men zou zich dus kunnen afvragen of dat nog wel strookt met de doelstellingen van het beginsel nemo tenetur en het zwijgrecht.

Toch lijkt ons die vaststelling niet van aard om af te wijken van het uitgangspunt dat een verdachte niet kan gedwongen worden iets te zeggen (of te schrijven), zoals een passcode of een wachtwoord. Er zijn namelijk ook heel wat praktische bezwaren tegen een dergelijke verplichting. Zo zal een verdachte die gedwongen wordt een wachtwoord op te geven, heel dikwijls verklaren dat niet meer te kennen. Of hij zal een verkeerd wachtwoord opgeven, of verbaasd zijn wanneer het nochtans juiste wachtwoord ‘niet meer werkt’. Of hij zal gewoonweg ontkennen dat het een toestel is dat door hem wordt gebruikt. Er ontstaan dan heel wat discussies over de vraag of de verdachte al dan niet geloofwaardig is in zijn stelling. Een andere kwestie is hoe de weigering om mee te werken dan wel bestraft moet worden. De neiging om niet mee te werken, zal immers afhangen van de straf die men riskeert als men dat wel doet. En die is uiteraard niet altijd dezelfde. En ten slotte: het dwingen van een verdachte om iets te zeggen, ook al is het maar een ‘sleutel’ tot hard bewijs, komt hoe men het ook draait of keert, neer op het verplicht moeten prijsgeven van iets wat enkel bestaat in gedachten. Dat is een grens die niet kan overschreden worden. Stel dat de wetenschap ooit in staat zou zijn om gedachten te lezen of een waarheidsserum te ontwikkelen dat 100% betrouwbaar is, dan nog zouden die technieken niet kunnen worden gebruikt in strafzaken. Omdat ze de kern van het zwijgrecht aantasten en in strijd zijn met de menselijke waardigheid.

Wat dus wel kan, zoals hoger al beschreven, is het gebruik van dwang om een toestel te ontgrendelen via biometrie. Al kan dat op zich wel tot twistpunten aanleiding geven, zoals bij Face ID. Of stel dat er zoiets komt als Voice ID: kan de verdachte dan gedwongen worden iets te zeggen, bijv. “Hey Siri, hier ben ik”?

Maar ook het onderscheid tussen dwang tot zeggen of doen, leidt echter tot enigszins onlogische gevolgen. Zo is een verdachte die geen gebruik maakt van biometrie maar enkel van een klassiek wachtwoord of van een klassieke passcode, beter beschermd dan de verdachte die dat wel doet …

Maar ook het onderscheid tussen dwang tot zeggen of doen, leidt echter tot enigszins onlogische gevolgen. Zo is een verdachte die geen gebruik maakt van biometrie maar enkel van een klassiek wachtwoord of van een klassieke passcode, beter beschermd dan de verdachte die dat wel doet …

Loyauteit van de bewijsgaring

Op basis van het voorgaande, zou men kunnen oordelen dat de verdachte die gebruik maakt van encryptie of een passcode best wel goed beschermd is. In de praktijk is dat misschien fictie en dat niet enkel omdat biometrische toegangscodes soms manipuleerbaar zijn. Kunnen onderzoekers namelijk niet op een heimelijke manier proberen een wachtwoord of een passcode te achterhalen? Bijv. door het installeren van keyloggers of simpelweg door het observeren van een verdachte, desnoods met technische hulpmiddelen? Of door het installeren van camera’s in een woning via een inkijkoperatie? Niets lijkt dat inderdaad in de weg te staan, voor zover uiteraard wel aan de voorwaarden voldaan is om deze onderzoekstechnieken aan te wenden.

Ook de verplichting om te waken over de loyauteit van de bewijsgaring (art. 28bis, §3 en art. 56, §1 van het Wetboek van Strafvordering) verzet zich er niet tegen dat men heimelijk een wachtwoord of passcode achterhaalt. Er is namelijk niets deloyaals aan het op een wettelijke manier aanwenden van een onderzoekshandeling om een sleutel te vinden of te achterhalen. In de werkelijke wereld kan men een sleutel van een kluis vinden bij een huiszoeking, in de digitale wereld door observatie of hacking. Van deloyale bewijsgaring zou maar sprake kunnen zijn als men door list bekomt dat de verdachte het wachtwoord zegt terwijl hij eerder heeft verklaard dat niet te willen doen (zie naar analogie EHRM 5 november 2002, Allan t. het Verenigd Koninkrijk).

Dat leidt wel tot een paradox: aangezien de verdachte niet kan gedwongen worden een wachtwoord op te geven ter bescherming van zijn zwijgrecht, zullen onderzoekers technieken aanwenden die een verregaande inbreuk op het privé-leven van de verdachte (en mogelijks van derden, bijv. degene die samenwonen met de verdachte) met zich brengen om hetzelfde resultaat te bereiken (namelijk het achterhalen van het wachtwoord).

Wat doet men in het buitenland?

Uiteraard is België niet het enige land waar de vraag naar gedwongen ontgrendeling zich stelt. Het is dan ook interessant even over de grenzen heen te kijken.

In de Verenigde Staten is er nog geen uniforme oplossing. Zo werd er al geoordeeld dat het privilege against self-incrimination zich ertegen verzet om een verdachte te verplichten de passcode van zijn iPhone op te geven, maar ook het tegenovergestelde standpunt werd al ingenomen. Wat wel al duidelijk is gebleken, is dat dwang om een iPhone te ontgrendelen via Touch ID wel kan.

In Nederland lijkt nog geen rechtspraak te bestaan over de vraag of de politie dwang kan gebruiken bij Touch ID. Er is wel eensgezindheid over het feit dat een verdachte niet kan gedwongen worden een wachtwoord of passcode op te geven. Een wetsvoorstel om dat wel mogelijk te maken, werd na felle kritiek geschrapt.

In Noorwegen werd door het Hooggerechtshof op 30 augustus 2016 geoordeeld dat een verdachte niet kan worden gedwongen om een passcode of wachtwoord op te geven, maar ook niet om mee te werken aan het ontgrendelen van een toestel via biometrie zoals Touch ID. Recent werd echter een wet aangenomen die dat laatste nu wel mogelijk maakt.

Er zijn echter ook enkele landen waar een verdachte onder bepaalde voorwaarden wel kan worden verplicht om een wachtwoord of een passcode op te geven. De weigering daaraan mee te werken, wordt dan strafbaar gesteld. Dat is bijv. zo in het Verenigd Koninkrijkop grond van sectie 49 e.v. van de Regulation of Investigatory Powers Act 2000. Daarvan werd echter tot heden nog maar sporadisch gebruik gemaakt, wat ook verklaart dat er nog geen beslissing is van het EHRM over deze problematiek.

Deel dit bericht

Verwante berichten

Herroeping probatie-uitstel mag anders geregeld zijn dan sanctionering bij niet-uitvoering autonome probatiestraf In een arrest van 31 januari 2019 (nr. 12/2019) heeft het Grondwettelijk Hof vastgesteld dat art. 14, § 2, van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie, het gelijkheidsbeginsel niet schendt.

De uitspraak kwam er op prejudiciële vraag gesteld door het Hof van Cassatie. In die vraag werd het onderscheid aan de kaak gesteld tussen de regeling tot herroeping van probatie-uitstel enerzijds en de sanctionering bij niet-uitvoering van een autonome probatiestraf anderzijds.
lees meer
Strafbaarheid van het zonder toestemming verspreiden van seksueel getint audio- of beeldmateriaal vereist geen herkenbaarheid van het slachtoffer voor derden Artikel 371/1, 1e lid, 2° van het Strafwetboek bestraft hij die de beeld- of geluidsopname van een ontblote persoon of een persoon die een expliciete seksuele daad stelt zonder diens toestemming of buiten diens medeweten toont, toegankelijk maakt of verspreidt, ook al heeft die persoon ingestemd met het maken ervan. Die bepaling werd ingevoegd bij wet van 1 februari 2016 tot wijziging van diverse bepalingen wat de aanranding van de eerbaarheid en het voyeurisme betreft.

In een arrest van 29 oktober 2019 (P.19.0800.N) verduidelijkt het Hof van Cassatie dat voor de strafbaarheid van het tonen of verspreiden van dergelijke beelden niet vereist is dat hij of zij die erop voorkomt, herkenbaar is voor derden.
lees meer
Het bewijs in strafzaken Dit verslagboek van de XLIste postuniversitaire cyclus Willy Delva besteedt aandacht aan procesefficiëntie in zijn verschillende aspecten en dit zowel in het civiele, penale als het publiek procesrecht. Het boek bevat onder meer een bijdrage van Joachim Meese over het bewijs in strafzaken. Daarin bespreekt hij de bewijslast en de bewijsmiddelen, het onrechtmatig verkregen bewijs, de bewijswaardering en de bewijsstandaard. Vooral aan het leerstuk van het onrechtmatig verkregen bewijs wordt veel aandacht besteed. lees meer Duiding drugs - praktijkgids 2016 Het fenomeen drugs blijft vele vragen oproepen. De wetgeving is complex en het handhavingsbeleid van de overheid niet voor iedereen even duidelijk. De Praktijkgids Duiding Drugs 2016 is een volledig herziene en herwerkte versie van het boek “Drugwetgeving” uit 2012. Het resultaat is een zeer  compleet werk geworden, waarbij de lezer niet alleen een breed inzicht krijgt in de actuele Belgische drugwetgeving, maar ook in het meest recente beleid inzake de opsporing en vervolging van drugs. Aan het boek werd meegewerkt door heel wat auteurs, waaronder ook Joachim Meese. lees meer Getuigenverhoor van een undercoveragent: afwijzing vereist concrete motivering In een zaak waarin wij tussenkwamen voor de eiser in cassatie, besliste het Hof van Cassatie in een arrest van 23 januari 2024 dat het verzoek tot het horen van een undercoveragent als getuige ter terechtzitting, niet zomaar kan worden afgewezen. lees meer Schriftelijke vordering tot verbeurdverklaring is geen conclusie Het Hof van Cassatie heeft in een arrest van 29 januari 2019 verduidelijkt dat een schriftelijke vordering tot bijzondere verbeurdverklaring van vermogensvoordelen buiten het toepassingsgebied valt van artikel 152 Wetboek van Strafvordering.

Een rechter kan een dergelijke vordering dus niet weren op grond van het feit dat deze werd neergelegd buiten de vooropgestelde conclusietermijnen (randnr. 5 van het arrest).
lees meer
Grievenstelsel strijdig met het recht op toegang tot de rechter in geval van nieuw element In een belangrijk arrest van 16 mei 2019 heeft het Grondwettelijk Hof gepreciseerd dat de appelrechter ambtshalve een middel van openbare orde moet kunnen opwerpen "met betrekking tot het gegeven dat de feiten geen misdrijf zijn wanneer dat een gevolg is van een nieuw element dat is opgedoken na de indiening van het verzoekschrift in hoger beroep en wanneer de schuldvraag in dat verzoekschrift of in het grievenformulier niet is beoogd".

De beslissing van het Grondwettelijk Hof is volstrekt begrijpelijk. Het zou vrij kafkaiaans zijn dat de appelrechter een beklaagde niet kan vrijspreken als het gegeven dat het vervolgde feit geen misdrijf uitmaakt, blijkt uit een element dat pas is opgedoken...
lees meer
Geen grievenschrift en toch ontvankelijk hoger beroep bij gebrek aan kennis vormvoorwaarden In een arrest van 20 oktober 2020 beslist het Hof van Cassatie dat het hoger beroep dat een gedetineerde zelf heeft aangetekend zonder een grievenformulier in te dienen, slechts onontvankelijk kan worden verklaard als redelijkerwijze kan worden aangenomen dat de gedetineerde beklaagde op de hoogte was of kon zijn van de verplichting zulks tijdig te doen. lees meer Grondwettelijk Hof vernietigt de wet digitale recherche gedeeltelijk In een arrest van 6 december 2018 (nr. 174/2018) heeft het Grondwettelijk Hof de wet van 25 december 2016 "houdende diverse wijzigingen van het Wetboek van strafvordering en het Strafwetboek, met het oog op de verbetering van de bijzondere opsporingsmethoden en bepaalde onderzoeksmethoden met betrekking tot internet en elektronische en telecommunicaties en tot oprichting van een gegevensbank stemafdrukken" gedeeltelijk vernietigd. lees meer Ook hoger beroep tegen de beslissing die het verzet als gedaan beschouwt, maakt grond van de zaak aanhangig In een arrest van 26 september 2019 zegt het Grondwettelijk Hof dat artikel 187, §9, 2e lid van het Wetboek van Strafvordering de Grondwet schendt "in zoverre het niet bepaalt dat een hoger beroep tegen de beslissing die het verzet als gedaan beschouwt, inhoudt dat de grond van de zaak aanhangig wordt gemaakt bij de rechter in hoger beroep wanneer die laatste het verzet voor het eerst ongedaan verklaart in hoger beroep".

Wij geven wat toelichting bij deze beslissing.
lees meer
Toezeggingen aan criminelen in ruil voor verklaringen in België Op 22 en 23 november 2019 vindt te Brugge de jaarlijkse bijeenkomst van de Vereniging voor de vergelijkende studie van het recht van België en Nederland plaats. In de afdeling strafrecht van de vereniging zal het (zowel in België als in Nederland actuele) thema van de spijtoptant worden besproken.

Het preadvies aan Vlaamse kant werd geschreven door Joachim Meese en bevat onder meer een kritische analyse van de Belgische wettelijke regeling inzake spijtoptanten.
lees meer
Openbaar ministerie mag advies verlenen bij loutere afhandeling burgerlijke belangen In een arrest van 29 september 2020 heeft het Hof van Cassatie verduidelijkt dat het openbaar minsterie bij de afhandeling van de burgerlijke belangen aanwezig mag zijn ter terechtzitting en er zijn advies over de beoordeling van de burgerlijke vordering kenbaar mag maken. lees meer Vanop privaat terrein foto's nemen van een binnenkoer die aan het straatzicht is onttrokken, kan niet zonder toestemming onderzoeksrechter In een recent arrest (12 februari 2019, P.18.1037.N) heeft het Hof van Cassatie verduidelijkt dat wanneer de politie vanop privaat terrein foto's neemt van de binnenkant van een woning of van aanhorigheden bij deze woning die niet zichtbaar zijn vanop straat (of vanop andere openbare terreinen), daarvoor toestemming van de onderzoeksrechter vereist is. lees meer Een Europees onderzoeksbevel is geen Europees aanhoudingsbevel In een arrest van 8 december 2020 (C-584/19) besliste het Hof van Justitie dat een Europees onderzoeksbevel kan worden uitgevaardigd door een parketmagistraat die niet onafhankelijk is van de uitvoerende macht. Anders dus dan wat werd aangenomen met betrekking tot het uitvaardigen van een Europees aanhoudingsbevel. lees meer U hebt het recht om te zwijgen ... maar als u uw zwijgrecht gebruikt, riskeert u daarvoor wel tot vijf jaar gevangenisstraf In een arrest van 4 februari 2020 heeft het Hof van Cassatie beslist dat een verdachte die de toegangscode tot een informaticasysteem kent (bijv. zijn eigen gsm-toestel), maar weigert die op te geven ondanks een daartoe strekkend bevel van de onderzoeksrechter, strafbaar is. Dit arrest werd onmiddellijk opgepikt door de media en zal ongetwijfeld belangrijke gevolgen hebben voor de praktijk. Onze kritische en uitgebreide bespreking van het arrest is nu te lezen op Criminis. lees meer Hoger beroep door het openbaar ministerie bij het appelgerecht In een arrest van 23 oktober 2018 heeft het Hof van Cassatie gezorgd voor meer duidelijkheid over de wijze waarop het openbaar ministerie bij het appelgerecht hoger beroep moet instellen. De eiser in cassatie, vertegenwoordigd en bijgestaan door ons kantoor, had aangevoerd dat het hoger beroep door het openbaar ministerie bij het appelgerecht onontvankelijk had moeten worden verklaard omdat de akte van betekening van het hoger beroep met daarin de opgave van de grieven niet binnen de beroepstermijn ter griffie was neergelegd. Het Hof van Cassatie volgde deze redenering en vernietigde de bestreden beslissing: wanneer het openbaar ministerie hoger beroep aantekent op de wijze bedoeld in art. 205 van het... lees meer Verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling mag per fax worden ingediend In een arrest van 3 september 2019 (P.19.0911.N) heeft het Hof van Cassatie verduidelijkt dat een verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling mag worden ingediend per fax. Weliswaar moet er zekerheid zijn dat het verzoek uitgaat van de verzoeker of zijn raadsman, maar die zekerheid vereist niet dat het verzoekschrift een originele handtekening bevat van de verzoeker of zijn raadsman. lees meer Stirmanov t. Rusland: procureur die zich uitspreekt over schuld aan verjaarde feiten schendt het vermoeden van onschuld In een arrest van 29 januari 2019 (Stirmanov t. Rusland) heeft het EHRM Rusland veroordeeld wegens een miskenning van het vermoeden van onschuld. De aanleiding tot die veroordeling was een beslissing van een Russische procureur om geen onderzoek te openen wegens verjaring. In die beslissing werd namelijk duidelijk standpunt ingenomen over de schuld van de verdachte.
lees meer
Aangehoudene wiens overlevering n.a.v. een Europees aanhoudingsbevel wordt uitgesteld, moet niet noodzakelijk gedetineerd blijven In een arrest van 28 mei 2019 stelt het Grondwettelijk Hof vast dat artikel 20, §§ 2, 3 en 4, van de wet van 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel het gelijkheidsbeginsel schendt "in zoverre het aan de personen die krachtens een uitvoerbaar verklaard Europees aanhoudingsbevel in hechtenis worden gehouden en wier overlevering aan de uitvaardigende Staat wordt uitgesteld met toepassing van artikel 24 van de wet van 19 december 2003, opdat in België vervolging kan worden ingesteld wegens een ander feit dan dat waarop het Europees aanhoudingsbevel betrekking heeft, niet de mogelijkheid biedt om te verzoeken om hun voorwaardelijke invrijheidstelling of om hun invrijheidstelling tegen borgstelling, noch om... lees meer Cassatie verfijnt rechtspraak verhoor getuige à charge In twee arresten van 8 september 2020 heeft het Hof van Cassatie de rechtspraak over het al dan niet verplicht horen van een getuige à charge verfijnd. Wij vatten voor u samen wat uit deze arresten moet worden onthouden. lees meer De impact van de EU op het recht op informatie in het strafproces: hoog tijd voor een Miranda-warning in België In het Nederlandse tijdschrift Strafblad is een artikel verschenen van Joachim Meese waarin hij pleit voor de invoering van een Miranda-warning in België en bij uitbreiding in de andere lidstaten van de Europese Unie die deze regel nog niet kennen.

Met een Miranda-warning wordt bedoeld dat bij elke arrestatie onmiddellijk een kennisgeving moet gebeuren van de rechten waarover de gearresteerde beschikt. Het gaat dan met name om het recht op bijstand van een advocaat, het zwijgrecht en het verbod van gedwongen zelfincriminatie. De term is afkomstig van het alom gekende arrest Miranda v. Arizona uit 1964 (US Supreme Court 13 juni 1966, Miranda vs Arizona, 384 U.S. 436). In dit arrest...
lees meer
Kamer van inbeschuldigingstelling dan toch bevoegd bij voorrecht van rechtsmacht Het Grondwettelijk Hof legt bij arrest van 28 februari 2019 een eerder arrest uit en beslist dat een gerechtelijk onderzoek gevoerd tegen lagere magistraten wel degelijk moet leiden tot een regeling der rechtspleging door de kamer van inbeschuldigingstelling. lees meer Materiële vaststellingen in een PV met bijzondere bewijswaarde zijn niet helemaal onaantastbaar In een arrest van 6 oktober 2020 (P.20.0477.N) verduidelijkt het Hof van Cassatie dat de rechter ook bij processen-verbaal met bijzondere bewijswaarde kan oordelen dat een bepaalde vermelding erin van de politie een verschrijving inhoudt. Een dergelijke materiële vergissing kan door de rechter verbeterd worden. lees meer Rechter moet GAS-boete kunnen verminderen bij verzachtende omstandigheden Uit een arrest van het Grondwettelijk Hof van 23 januari 2019 (arrest nr. 8/2019) blijkt dat GAS-boetes die worden opgelegd voor inbreuken op onder meer de regels inzake het stilstaan en het parkeren, door de rechter moeten kunnen worden verminderd tot onder het minimum als er sprake is van verzachtende omstandigheden.

Indien men voor dezelfde feiten voor de politierechter in een strafprocedure verschijnt, kan de rechter de geldboete verminderen door toepassing te maken van artikel 29, § 1, eerste lid, van de Wegverkeerswet. Het zou dus niet redelijk te verantwoorden vallen om iemand die een GAS-boete krijgt voor een zelfde feit, anders te behandelen (overweging B.7 van het arrest).
lees meer
Verzoekschrift voorlopige invrijheidstelling ingediend per fax na het sluiten der griffie is neergelegd op de volgende werkdag In een arrest van 29 november 2019 verduidelijkt het Hof van Cassatie dat wanneer een verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling per fax is ingediend na het sluitingsuur van de griffie (16u), de termijn van vijf dagen om uitspraak te doen over dat verzoek pas begint te lopen op de dag waarop de ontvangst van de fax op de griffie wordt vastgesteld binnen de openingsuren van de griffie. lees meer De burgerlijke rechtsvordering voor de strafrechter In het kader van een studienamiddag die de Universiteit Antwerpen heeft georganiseerd op 30 november 2017, schreef Joachim Meese een bijdrage over de burgerlijke rechtsvordering voor de strafrechter. Deze bijdrage is opgenomen in het verslagboek dat uitgegeven werd door Intersentia. lees meer De verjaring van de strafvordering uitgeklaard In dit boek wordt de complexe materie van de verjaring van de strafvordering op een duidelijke wijze in kaart gebracht. De verschillende facetten van de berekening van de verjaring worden besproken vanuit een ‘stappenplan’ om tot een correcte berekening te komen. De handige bijlagen bieden een schematisch overzicht van de essentiële elementen van die stappen, rekening houdend met de verschillende verjaringsregimes die van toepassing waren doorheen de tijd. Een onmisbaar werkinstrument dus voor advocaten, parketmagistraten en rechters. lees meer Dataretentie: het hof van justitie waakt over onze privacy In nummer 41 van jaargang 80 van het tijdschrift Rechtskundig Weekblad verscheen een kanttekening van Joachim Meese over dataretentie door telecomoperatoren. Daarbij gaat het over het bewaren en opvragen van gegevens (‘metadata’) van telecommunicatie. Uit die gegevens kan heel wat informatie worden gehaald, zoals het tijdstip en de duur van telefoongesprekken, de bestemmeling ervan en zelfs het surfgedrag. lees meer Duitse parketmagistraat onvoldoende onafhankelijk om Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen In twee belangrijke arresten van 27 mei 2019 heeft het Hof van Justitie zich uitgesproken over het uitvaardigen van een bevel tot aanhouding door een magistraat van het parket. Daar waar in België over het uitvaardigen van een (Europees) bevel tot aanhouding wordt beslist door een onderzoeksrechter, gebeurt dat in sommige landen door een magistraat van het openbaar ministerie. Daarvan zegt het Hof van Justitie dat dit niet altijd verenigbaar is met de vereisten van het Unierecht, namelijk wanneer er onvoldoende waarborgen zijn dat de betrokken parketmagistraat de beslissing volstrekt onafhankelijk kan nemen.

Deze arresten hebben uiteraard grote gevolgen voor alle lopende zaken waarin Belgische onderzoeksgerechten (en ook buitenlandse gerechtelijke autoriteiten)...
lees meer
Afschaffing onmiddellijk cassatieberoep inzake uithandengeving is ongrondwettig In een arrest van 25 oktober 2019 oordeelt het Grondwettelijk Hof dat het feit dat geen onmiddellijk cassatieberoep kan worden ingesteld tegen de beslissing tot uithandengeving, niet verenigbaar is met de Grondwet.

Het concreet gevolg van dit arrest is dat artikel 420 van het Wetboek van Strafvordering voortaan geen hinderpaal meer kan vormen voor het op ontvankelijke wijze instellen van een onmiddellijk cassatieberoep tegen beslissingen tot uithandengeving.
lees meer
Sdu Commentaar EVRM editie 2020-2021 In Sdu Commentaar EVRM editie 2020-2012worden het EVRM en de Protocollen artikelsgewijs becommentarieerd. Per artikel vindt u een helder en praktisch, maar vooral diepgaand commentaar, geïllustreerd met diverse citaten uit de rechtspraak van het EHRM. Ook vindt u per artikel een actueel overzicht van literatuur. Het werk bestaat uit twee delen van respectievelijk 1612 en 876 pagina's. Een onmisbaar werkinstrument voor practici die met kennis van zaken een beroep willen doen op het EVRM! lees meer Hof van Cassatie stelt drie prejudiciële vragen over voorrecht van rechtsmacht In een zaak behandeld door ons kantoor heeft het Hof van Cassatie in een arrest van 26 november 2019 (P.19.0811.N) drie prejudiciële vragen gesteld aan het Grondwettelijk Hof over het voorrecht van rechtsmacht. In de zaak die aanleiding gaf tot het arrest, was een medeverdachte rechtstreeks gedagvaard na een gerechtelijk onderzoek gevoerd door een raadsheer-onderzoeksrechter en nadat de strafvordering lastens de houder van het voorrecht van rechtsmacht was vervallen wegens het betalen van een minnelijke schikking. lees meer Adamčo t. Slowakije: onvolkomen rechterlijke controle op getuigenbewijs afkomstig van spijtoptant schendt recht op eerlijk proces Het arrest in de zaak Adamčo t. Slowakije (EHRM 12 november 2019) is interessant omdat het Hof zich daarin onder meer uitspreekt over de gevolgen van het gebruik van een belastende verklaring afgelegd door een getuige die hiervoor als medebeklaagde zelf voordelen heeft genoten bij zijn eigen vervolging. Of eenvoudiger uitgedrukt: een spijtoptant.

Bij onze bespreking van dit arrest komen wij tot het besluit dat Belgische zaken waarin verklaringen van getuigen worden gebruikt die hiervoor voordelen hebben bekomen buiten de Belgische algemene spijtoptantenregeling om, tot heel wat discussie aanleiding lijken te kunnen geven in de toekomst.
lees meer
Recht om te zwijgen maar toch verplicht om te spreken? In een arrest van 4 februari 2020 (P.19.1068.N) heeft het Hof van Cassatie beslist dat een verdachte die de toegangscode tot een informaticasysteem kent (bijv. zijn eigen gsm-toestel), maar weigert die op te geven ondanks een daartoe strekkend bevel van de onderzoeksrechter, strafbaar is.

In het kader van de rubriek 'actualiteit' van het Rechtskundig Weekblad, werd hierover een kritische analyse van Joachim Meese gepubliceerd.
lees meer
De herziening van gerechtelijke dwalingen vernieuwd Niets zo erg als een gerechtelijke dwaling. Een op een waar gebeurd verhaal gebaseerde serie zoals Making a murderer laat wellicht al niemand onberoerd, maar daarnaast zijn er ook af en toe berichten over (lang)gestraften wiens onschuld uiteindelijk moet worden vastgesteld, bijvoorbeeld op basis van dna-analyses op oude sporen. Het zou echter een illusie zijn te denken dat gerechtelijke dwalingen enkel een Amerikaans probleem vormen. Elke rechtstaat moet er immers rekening mee houden dat niemand onfeilbaar is, zodat ook een juridisch vastgestelde ‘waarheid’ feitelijk onjuist kan zijn.

In veel landen bestaat dan ook een speciale commissie die gelast wordt met het onderzoek naar klachten over gerechtelijke dwalingen. Voor het bestaan van...
lees meer
Rooman t. België: langdurige detentie zonder gepaste zorg bij gebrek aan Duitstalige zorgverleners schendt art. 3 en 5 EVRM In een arrest van 31 januari 2019 (Rooman t. België) heeft de Grote Kamer België veroordeeld wegens schending van artikel 3 EVRM (onmenselijke behandeling) en artikel 5 EVRM (onwettige vrijheidsberoving). lees meer Geen beperking voor opschorting en uitstel bij drugfeiten maar wel bij druggerelateerde feiten: niet ongrondwettig In een arrest van 6 december 2018 (nr. 176/2018) heeft het Grondwettelijk Hof zich uitgesproken over de vraag of het feit dat de Probatiewet alleen de beklaagde die vervolgd wordt wegens een overtreding van de Drugswet toelaat het voordeel te genieten van opschorting en uitstel van de uitspraak, zelfs indien hij niet voldoet aan de bij de artikelen 3 en 8 van die wet gestelde voorwaarden met betrekking tot de vroegere veroordelingen, terwijl die gunst wordt geweigerd aan de beklaagde die andere misdrijven heeft gepleegd met het oog op zijn eigen drugsgebruik. lees meer Onrechtmatig verkregen bewijs in strafzaken lees meer Hoger beroep tegen schuldigverklaring en schadevergoeding vereist afzonderlijke grieven Alhoewel het grievenstelsel al van toepassing is sinds 1 maart 2016, worden er bij het aantekenen van hoger beroep nog steeds fouten begaan die grote gevolgen kunnen hebben. Een arrest van het Hof van Cassatie van 1 december 2020 heeft dit nog maar eens aangetoond. lees meer Amanda Knox t. Italië: onvoldoende onderzoek naar mensonwaardige behandeling, gebrek aan bijstand en een te voortvarende tolk leiden tot oneerlijk proces Het verhaal van Amanda Knox is wellicht iedereen bekend. Deze Amerikaanse uitwisselingsstudente werd verdacht van de moord op Meredith Kercher in 2007 in Perugia (Italië) en zat hierdoor 4 jaar in de gevangenis in Italië. De zaak en het lange proces kregen heel wat media-aandacht. Na eerder te zijn veroordeeld, werd Amanda Knox uiteindelijk op 27 maart 2015 definitief vrijgesproken voor de moord bij arrest van het Italiaanse Hof van Cassatie. Op Netflix is intussen een documentaire te zien over de zaak.

Op 24 januari 2019 deed het EHRM uitspraak in de zaak Knox t. Italië. Dit arrest is een uitloper van de strafprocedure die in Italië tegen Amanda Knox werd...
lees meer
Verplichte herstelexamens na herhaald plegen van zware verkeersmisdrijven niet ongrondwettig In een arrest van 28 mei 2019 heeft het Grondwettelijk Hof gepreciseerd dat het verplicht opleggen van herstelexamens na herhaald plegen van zware verkeersmisdrijven, zonder dat daarbij sprake is van rechterlijke beoordelingsvrijheid, niet ongrondwettig is. lees meer Kryževičius t. Litouwen: dwang om te getuigen tegen echtgenote schendt art. 8 EVRM Het EHRM heeft zich op 11 december 2018 in de zaak Kryzevicius t. Litouwen uitgesproken over een vraag met betrekking tot het getuigenverhoor tussen aanverwanten.

Met name werd de verzoeker veroordeeld omdat hij weigerde te getuigen tegen zijn echtgenote, die het statuut van 'special witness' had gekregen. Dat laatste komt er naar Litouws recht op neer dat er onvoldoende bewijs voorhanden is om haar te aanzien als verdachte, maar dat het niet uitgesloten is dat zij uiteindelijk als verdachte in aanmerking zal worden genomen. Het verbod om echtgenoten te dwingen tegen elkaar te getuigen, zou volgens Litouws recht in dat geval niet van toepassing zijn. Het EHRM komt tot het besluit...
lees meer
Spijtoptanten in het voetbal (en elders): gevaarlijk spel? Spelersmakelaar Velkjovic is de eerste om het statuut van ‘spijtoptant’ te krijgen. Maar wat is een spijtoptant eigenlijk en vooral: welke nadelen en risico's zijn er verbonden aan het belonen van criminelen voor het bekomen van belastende verklaringen? Wij vatten het voor u samen en keken ook eens over de grenzen heen. lees meer Grondwettelijk Hof verfijnt strafrechtelijk gezag van gewijsde voor de burgerlijke rechter In een Valentijnsarrest van 14 februari 2019 heeft het Grondwettelijk Hof verduidelijkt dat het strafrechtelijk gezag van gewijsde zich er niet tegen verzet dat een definitief veroordeelde beklaagde die vervolgens is opgeroepen voor de burgerlijke rechter, in dat burgerlijk proces meegeniet van het bewijs van zijn onschuld dat geleverd wordt door een andere partij die niet bij het strafproces was betrokken. lees meer Gjini t. Servië: geweld tussen gedetineerden vereist ook zonder strafklacht grondig onderzoek In een arrest van vandaag deed het EHRM uitspraak in een zaak waarin de verzoeker, een Kroatische onderdaan, ernstig fysiek en mentaal werd mishandeld in een Servische gevangenis door Servische medegedetineerden (zie het overzicht van de feiten in de randnes. 11-22 van het arrest). Deze mishandeling stopte pas nadat de advocaat van de verzoeker om een overplaatsing had verzocht nadat hij had gezien dat er duidelijk iets aan zijn cliënt schortte, ook al wou hijzelf daarover niets kwijt.

Interessant aan het arrest is dat het EHRM de exceptie van de Servische overheid dat niet alle interne rechtsmiddelen werden uitgeput (art. 35 EVRM), verwerpt: het feit dat de verzoeker geen strafklacht heeft...
lees meer
Gebrek aan grief over de schuld verhindert niet dat appelrechter ambtshalve de onschuld van de beklaagde kan vaststellen In twee belangrijke arresten van vandaag spreekt het Grondwettelijk Hof zich opnieuw uit over grievenstelsel. Deze arresten bouwen voort op een eerdere beslissing van 16 mei 2019 waarin werd vastgesteld dat de onmogelijkheid voor de appelrechter om de onschuld vast te stellen omdat geen grief over de schuld werd ontwikkeld, ongrondwettig is wanneer die onschuld blijkt uit een nieuw element dat maar aan het licht is gekomen na het indienen van de grieven.

Thans wordt vastgesteld dat er ook sprake is van ongrondwettigheid in de mate dat de appelrechter de onschuld van de beklaagde niet ambtshalve zou kunnen vaststellen omdat geen grief werd ontwikkeld met betrekking tot de beslissing over de...
lees meer
Hoger beroep tegen beschikking van de raadkamer inzake internering vereist grieven In een arrest van 8 oktober 2019 (P.19.0611.N) heeft het Hof van Cassatie beslist dat het hoger beroep dat wordt ingesteld tegen de beschikking van de raadkamer waarbij een beslissing wordt genomen inzake internering, slechts ontvankelijk is als er grieven worden geformuleerd tegen die beslissing. lees meer Duiding strafprocesrecht 2017 In de reeks Duiding uitgegeven door Larcier verscheen in 2017 een nieuwe editie van het boek Duiding strafprocesrecht. Het boek bevat verhelderende commentaren bij de belangrijkste bronnen van het strafprocesrecht, allen geschreven door verschillende academici, advocaten en magistraten. Joachim Meese is een van de editors, samen met Martine De Busscher, Dirk Van Der Kelen en Johan Verbist. lees meer De zuivering der nietigheden: een joint dissenting opinion Naar aanleiding van het emeritaat van buitengewoon hoogleraar en barones Chris Van den Wyngaert, werd haar eind 2017 een liber amicorum overhandigd. Joachim Meese, die in 2010 in haar voetsporen trad als professor strafprocesrecht aan de Universiteit Antwerpen, schreef daarin een bijdrage met als titel “de zuivering der nietigheden: een joint dissenting opinion“. lees meer Justitie werkt voortaan samen met betrouwbare criminelen In aflevering 7 van het Rechtskundig Weekblad jaargang 82 verscheen een kritische kijk op twee wetten van 22 juli 2018 die op 7 augustus 2018 in het Staatsblad werden gepubliceerd. Sedert de inwerkingtreding van deze wetten op 17 augustus 2018 is het mogelijk om burgers te laten infiltreren in criminele organisaties (burgerinfiltratie) en om aan criminelen die een andere crimineel aan de galg te praten, toezeggingen te doen op vlak van straf voor de feiten die zij zelf hebben gepleegd (spijtoptanten, ook wel pentiti genoemd). lees meer