

Hoger beroep door het openbaar ministerie bij het appelgerecht
18 NOVEMBER 2018
In een arrest van 23 oktober 2018 (P.18.0577.N) heeft het Hof van Cassatie gezorgd voor meer duidelijkheid over de wijze waarop het openbaar ministerie bij het appelgerecht hoger beroep moet instellen. De eiser in cassatie, vertegenwoordigd en bijgestaan door ons kantoor, had aangevoerd dat het hoger beroep door het openbaar ministerie bij het appelgerecht onontvankelijk had moeten worden verklaard omdat de akte van betekening van het hoger beroep met daarin de opgave van de grieven niet binnen de beroepstermijn ter griffie was neergelegd. Het Hof van Cassatie volgde deze redenering en vernietigde de bestreden beslissing: wanneer het openbaar ministerie hoger beroep aantekent op de wijze bedoeld in art. 205 van het Wetboek van Strafvordering, volstaat het niet dat de grieven tegen de beroepen beslissing opgenomen worden in het betekeningsexploot. Dat exploot moet ook nog binnen de beroepstermijn worden neergelegd ter griffie.
Achtergrond
Op 19 februari 2016 werd de Wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie (beter gekend als de Potpourri II wet) gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Deze wet trad op 1 maart 2016 in grote mate in werking en bevatte tal van wijzigingen aan het straf(procesrecht), onder meer met betrekking tot het hoger beroep. Voortaan moet men bij het aantekenen van hoger beroep aangeven welke grieven men heeft tegen de beroepen beslissing. Daarvoor kan gebruik worden gemaakt van een modelformulier (het zgn. grievenformulier) of van een zelf op te stellen verzoekschrift (voor een kritische bespreking van deze wijzigingen, zie onze publicatie in het verslagboek Cyclus Willy Delva 2017).
Wanneer het openbaar ministerie hoger beroep wenst aan te tekenen, beschikt het over twee manieren om dat te doen.
Vooreerst kan het openbaar ministerie bij de rechtbank die uitspraak deed (dus de procureur des Konings bij de politierechtbank of de correctionele rechtbank), hoger beroep instellen op dezelfde wijze als de andere partijen kunnen doen (art. 203 van het Wetboek van Strafvordering). In dat geval moet het hoger beroep binnen de termijn van 30 dagen vanaf de uitspraak worden aangetekend door het afleggen van een verklaring ter griffie van de rechtbank die uitspraak deed. Die termijn kan nog worden verlengd wanneer het om een volgberoep gaat: tekent de beklaagde bv. hoger beroep aan op de 25e dag, dan heeft het openbaar ministerie nog 10 dagen de tijd om tegen die beklaagde hoger beroep in te stellen, waardoor de totale termijn 35 dagen is in dat voorbeeld (zie over de aanvang van het volgberoep Cass. 29 november 2017, P.17.0761.F). Verder moet er ook een grievenformulier of een verzoekschrift worden neergelegd. Dat kan gebeuren op dezelfde griffie of op de griffie van het appelgerecht (bv. het hof van beroep in correctionele zaken). Het formuleren van grieven is essentieel: doet men dat niet, dan is het hoger beroep onontvankelijk. Alleen wanneer het gaat om een hoger beroep tegen een vonnis dat een aangetekend verzet ongedaan verklaart, moeten geen grieven worden geformuleerd (Cass. 27 februari 2018, P.17.0618.N).
Daarnaast kan ook het openbaar ministerie bij het appelgerecht hoger beroep aantekenen. In correctionele zaken bv., gaat het dan om de procureur-generaal bij het hof van beroep dat van de zaak kennis zal nemen. In dat geval is er sprake van een langere termijn, nl. 40 dagen vanaf de uitspraak. Een ander verschil is dat het hoger beroep op een andere wijze moet worden aangetekend, nl. door betekening aan de beklaagde. Er moet dan dus een gerechtsdeurwaarder worden ingeschakeld die de beroepsakte aan de beklaagde betekent (art. 205 van het Wetboek van Strafvordering).
Het vreemde is dat art. 205 van het Wetboek van Strafvordering helemaal niets zegt over het formuleren van de grieven. Blijkbaar heeft de wetgever de mogelijkheid voor het openbaar ministerie om op die manier hoger beroep aan te tekenen, over het hoofd gezien.
Het vreemde is dat art. 205 van het Wetboek van Strafvordering helemaal niets zegt over het formuleren van de grieven. Blijkbaar heeft de wetgever de mogelijkheid voor het openbaar ministerie om op die manier hoger beroep aan te tekenen, over het hoofd gezien. Na de inwerkingtreding van de potpourri II wet, was de vraag dus of in dit geval ook grieven tegen de beroepen beslissing moeten worden geformuleerd en hoe dat dan precies moet gebeuren.
Dat de verplichting om grieven te formuleren tegen het beroepen vonnis ook geldt voor het openbaar ministerie bij het appelgerecht, kon eigenlijk niet betwist worden. Anders zou het openbaar ministerie aan deze verplichting kunnen ontsnappen door gebruik te maken van art. 205 in plaats van art. 203 van het Wetboek van Strafvordering. Een dergelijke invulling van de wet zou ook een schending van het gelijkheidsbeginsel hebben ingehouden, wat ook de visie was van het Grondwettelijk Hof (GwH 18 januari 2018, nr. 02/2018).
Daarmee was natuurlijk nog niet duidelijk hoe het openbaar ministerie bij het appelgerecht dan de grieven moet formuleren. Begin 2017 verduidelijkte het Hof van Cassatie dat aan de verplichting om de grieven te formuleren in elk geval voldaan is wanneer de grieven werden opgenomen in het exploot van betekening en dat exploot vervolgens wordt neergelegd ter griffie (Cass. 31 januari 2017, P.16.1052.N, NC 2017, 272).
Het arrest van 23 oktober 2018
Nog steeds echter was er geen zekerheid of ook het neerleggen van het exploot ter griffie binnen de beroepstermijn van 40 dagen moet gebeuren. In de zaak die aanleiding gaf tot het arrest van 23 oktober 2018, had het openbaar ministerie op de allerlaatste dag het hoger beroep laten betekenen aan de beklaagde en werd het betekeningsexploot pas 11 dagen later ontvangen ter griffie. Het openbaar ministerie argumenteerde dat dit geen probleem was, aangezien de beklaagde binnen de beroepstermijn kennis had gekregen van de grieven. Het hof van beroep volgde deze redenering en dus werd het hoger beroep van het openbaar ministerie ontvankelijk verklaard.
Het Hof van Cassatie vernietigde deze beslissing. Het Hof preciseert namelijk dat uit de tekst van de wet, “hun wetsgeschiedenis, de doelstellingen ervan en hun onderling verband” volgt dat niet alleen de betekening moet plaatsvinden binnen de beroepstermijn, maar dat ook de grieven moeten worden neergelegd ter griffie binnen die termijn.
Het Hof van Cassatie vernietigde deze beslissing. Het Hof preciseert namelijk dat uit de tekst van de wet, “hun wetsgeschiedenis, de doelstellingen ervan en hun onderling verband” volgt dat niet alleen de betekening moet plaatsvinden binnen de beroepstermijn, maar dat ook de grieven moeten worden neergelegd ter griffie binnen die termijn. Dat kan bv. door het neerleggen van het betekeningsexploot ter griffie, wat duidelijk blijkt uit het arrest van 23 oktober 2018 en ook het geval was in de zaak die aanleiding gaf tot het eerder geciteerde arrest van 31 januari 2017. Al lijkt niets eraan in de weg te staan dat de grieven worden geformuleerd in een afzonderlijk verzoekschrift of in een grievenformulier dat eerder dan het betekeningsexploot (waarin de grieven eveneens zijn opgenomen) wordt neergelegd ter griffie. Zo zou het openbaar ministerie bij het appelgerecht bv. de allerlaatste dag een grievenformulier kunnen neerleggen ter griffie en het hoger beroep met kennisgeving van de grieven laten betekenen aan de beklaagde, om vervolgens na ontvangst van het exploot van betekening dat exploot buiten de beroepstermijn neer te leggen. Alhoewel dergelijke situatie nog niet werd voorgelegd aan het Hof van Cassatie, mag worden aangenomen dat zulks eveneens toelaatbaar zou worden geacht.
Deel dit bericht
Verwante berichten
Deze arresten hebben uiteraard grote gevolgen voor alle lopende zaken waarin Belgische onderzoeksgerechten (en ook buitenlandse gerechtelijke autoriteiten)...
In deze bijdrage gaan we wat dieper in op de vraag hoe over diezelfde vraag werd geoordeeld door de Grote Kamer van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in het arrest Murtazaliyeva (EHRM 18 december 2018, Murtazaliyeva t. Rusland).
Terloops maken we ook even melding van een arrest van het EHRM van 7 maart 2019 in de zaak Abdullayev t. Azerbeidzjan.
In het kader van de rubriek 'actualiteit' van het Rechtskundig Weekblad, werd hierover een kritische analyse van Joachim Meese gepubliceerd.
Met name werd de verzoeker veroordeeld omdat hij weigerde te getuigen tegen zijn echtgenote, die het statuut van 'special witness' had gekregen. Dat laatste komt er naar Litouws recht op neer dat er onvoldoende bewijs voorhanden is om haar te aanzien als verdachte, maar dat het niet uitgesloten is dat zij uiteindelijk als verdachte in aanmerking zal worden genomen. Het verbod om echtgenoten te dwingen tegen elkaar te getuigen, zou volgens Litouws recht in dat geval niet van toepassing zijn. Het EHRM komt tot het besluit...
De verzoeker zat in de gevangenis tussen 2002 en 2015. In 2008 verzocht hij om de begrafenis van zijn vader te kunnen bijwonen, maar dit werd geweigerd bij gebrek aan wettelijke grondslag. De verzoeker zat namelijk in een ‘maximum-security’ gevangenis en kwam daardoor naar Lets recht niet in aanmerking voor de gevraagde gunst. Naar aanleiding daarvan beklaagde hij zich erover dat andere wettelijke regelingen gelden bij de strafuitvoering van mannen dan het geval...
De verzoeker werd samen met zijn broer op weg naar het werk gestopt door de wegpolitie. Toen zij om identificatie vroegen van de twee politieagenten, raakten de gemoederen verhit en begonnen de politieagenten de broers te slaan en maakten zij gebruik van traangas. Ze toonden geen identificatie, wat de broers deed vrezen dat ze te maken hadden met dieven die zich hadden vermomd als politie. Een van de broers trachtte een knuppel uit zijn wagen te halen,...
Op zich lijkt dat niet verrassend, ware het niet dat het Grondwettelijk Hof in een arrest van 8 november 2018 (nr. 153/2018) nog aangaf dat de door de politiediensten en de vervolgende instanties na te leven regels betreffende de bewijsvoering van de schuld van een persoon, in beginsel niet in het nadeel van die persoon mogen worden gewijzigd met terugwerkende kracht (overweging B.24.4).
In casu ging het om een inverdenkinggestelde die cassatieberoep had aangetekend tegen de handhaving van zijn aanhouding door de kamer van inbeschuldigingstelling, maar niet aanwezig kon zijn ter zitting van het Hof van Cassatie door de laattijdige ontvangst van de oproeping.
Bij onze bespreking van dit arrest komen wij tot het besluit dat Belgische zaken waarin verklaringen van getuigen worden gebruikt die hiervoor voordelen hebben bekomen buiten de Belgische algemene spijtoptantenregeling om, tot heel wat discussie aanleiding lijken te kunnen geven in de toekomst.
Op 24 januari 2019 deed het EHRM uitspraak in de zaak Knox t. Italië. Dit arrest is een uitloper van de strafprocedure die in Italië tegen Amanda Knox werd...
Een rechter kan een dergelijke vordering dus niet weren op grond van het feit dat deze werd neergelegd buiten de vooropgestelde conclusietermijnen (randnr. 5 van het arrest).
De teksten zijn van de hand van een hele reeks eminente strafrechtspecialisten, zowel magistraten, academici als advocaten.
De hoofdredactie was opnieuw in handen van Martine De Busscher, Joachim Meese, Dirk Van Der Kelen en Johan Verbist.
Thans wordt vastgesteld dat er ook sprake is van ongrondwettigheid in de mate dat de appelrechter de onschuld van de beklaagde niet ambtshalve zou kunnen vaststellen omdat geen grief werd ontwikkeld met betrekking tot de beslissing over de...
In veel landen bestaat dan ook een speciale commissie die gelast wordt met het onderzoek naar klachten over gerechtelijke dwalingen. Voor het bestaan van...
Het concreet gevolg van dit arrest is dat artikel 420 van het Wetboek van Strafvordering voortaan geen hinderpaal meer kan vormen voor het op ontvankelijke wijze instellen van een onmiddellijk cassatieberoep tegen beslissingen tot uithandengeving.
Indien men voor dezelfde feiten voor de politierechter in een strafprocedure verschijnt, kan de rechter de geldboete verminderen door toepassing te maken van artikel 29, § 1, eerste lid, van de Wegverkeerswet. Het zou dus niet redelijk te verantwoorden vallen om iemand die een GAS-boete krijgt voor een zelfde feit, anders te behandelen (overweging B.7 van het arrest).
De uitspraak kwam er op prejudiciële vraag gesteld door het Hof van Cassatie. In die vraag werd het onderscheid aan de kaak gesteld tussen de regeling tot herroeping van probatie-uitstel enerzijds en de sanctionering bij niet-uitvoering van een autonome probatiestraf anderzijds.

