Ēcis t. Letland: ernstig ongelijke strafuitvoering mannen en vrouwen schendt de artikelen 14 en 8 EVRM

11 JANUARI 2019

In de zaak Ēcis t. Letland heeft het EHRM zich op 10 januari 2019 uitgesproken over de vraag of een verschillende behandeling van mannen en vrouwen bij de strafuitvoering al dan niet een schending oplevert van het EVRM.

De verzoeker zat in de gevangenis tussen 2002 en 2015. In 2008 verzocht hij om de begrafenis van zijn vader te kunnen bijwonen, maar dit werd geweigerd bij gebrek aan wettelijke grondslag. De verzoeker zat namelijk in een ‘maximum-security’ gevangenis en kwam daardoor naar Lets recht niet in aanmerking voor de gevraagde gunst. Naar aanleiding daarvan beklaagde hij zich erover dat andere wettelijke regelingen gelden bij de strafuitvoering van mannen dan het geval is bij vrouwen. Concreet betekende dat voor hem immers dat mocht hij een vrouw zijn geweest, hij wel kon worden toegelaten om de begrafenis van zijn vader bij te wonen. Zijn klacht werd echter door het Grondwettelijk Hof van Letland ongegrond bevonden. Volgens dat hof moeten mannen en vrouwen, ook al zijn ze elk veroordeeld wegens zeer zware feiten, niet gelijk behandeld worden wat de strafuitvoering betreft, aangezien zij zich niet in een gelijkaardige situatie bevinden (zie § 20 van het arrest).

Het EHRM denkt er echter anders over. Met name wordt een schending vastgesteld van art. 14 EVRM (het gelijkheidsbeginsel inzake het genot van mensenrechten) en art. 8 EVRM (het recht op eerbiediging van het familieleven).

Eerst en vooral wijst het Hof erop dat niet elke discriminatie een schending van het Verdrag oplevert, maar wel als er sprake is van een onderscheid dat niet redelijk en objectief te rechtvaardigen valt (§ 82). Alhoewel de lidstaten behoorlijk wat appreciatiemarge krijgen toebedeeld van het EHRM (§ 83), wijst het Hof er toch op dat gendergelijkheid bijzonder belangrijk is en er dus toch al zeer goede redenen moeten zijn om een verschil in behandeling te kunnen verantwoorden. Loutere verwijzing naar tradities bv. kan zeker niet volstaan (§ 84).

Het Hof stelt verder dat er zeker bepaalde verschillen in behandeling tussen mannen en vrouwen mogelijk zijn. Soms zijn die zelfs noodzakelijk om de gendergelijkheid te waarborgen. Als voorbeeld wordt het toekennen van privileges aan zwangere of bevallen gedetineerden aangehaald (§ 86).

In casu was echter sprake van een verregaand verschil in behandeling. Mannen en vrouwen die veroordeeld worden voor dezelfde feiten, ondergaan in Letland elk een andere gevangenisregime. De mannen komen dan terecht in een ‘maximum-security’ gevangenis en kunnen pas aanspraak maken op uitgaansverlof wanneer zij worden overgeplaatst naar een ‘medium-security’ gevangenis (wat slechts kan nadat de helft van de straf is uitgezeten). Vrouwen daarentegen komen onmiddellijk in een medium-security gevangenis terecht en komen dus ook onmiddellijk in aanmerking voor uitgaansverlof.

Om dat verschil te verantwoorden, wees de Letse overheid er op dat vrouwelijke gedetineerden in het algemeen minder gewelddadig zijn dan de mannelijke. Het Hof stelt echter vast dat deze stelling niet wordt ondersteund door cijfergegevens (§ 89). Maar zelfs al zou deze stelling bewezen zijn, dan nog zou het EHRM daardoor niet overtuigd zijn geweest van de noodzakelijkheid van het onderscheid (§ 90). Er zou dan immers sprake zijn van een veralgemening die elke individuele beoordeling met betrekking tot mannelijke gedetineerden onmogelijk maakt. Het Hof ondersteunt weliswaar de stelling van de Letse overheid dat vrouwen niet aan een zwaarder gevangenisregime moeten worden blootgesteld, maar wijst er op dat dit evenzeer geldt voor de mannelijke gedetineerden (§ 91). Ten slotte wijst het Hof er ook nog op dat het in ere houden van familiebanden ook van wezenlijk belang is voor de sociale reïntegratie van gedetineerden.

Dit alles brengt het Hof ertoe te besluiten dat het gehanteerde onderscheid niet verenigbaar is met het Verdrag.

Deel dit bericht

Blijf op de Hoogte!

Wenst u graag op de hoogte te blijven van belangrijke nieuwe wetgeving of rechtspraak in het strafrecht, of van nieuwe publicaties of lezingen van Joachim Meese, meld u dan aan voor onze berichtgeving.

Wij respecteren uw privacy. U kan bij elke mail heel eenvoudig uw inschrijving stopzetten of uw voorkeuren aanpassen. U ontvangt dus van ons nooit meer mails dan u wenst.

CONTACT

bvba Joachim Meese
Beukenpark 111
B-9880 Aalter
tel +32 (0)475 39 54 10
fax +32(0)9 395 46 92
advocaat@jmeese.be

VOLGENDE LEZING

REKENINGEN

Kantoorrekening
IBAN BE61 6511 4711 1317
BIC KEYTBEBB

Derdenrekening
IBAN BE63 6301 9510 0708
BIC BBRUBEBB

RECENTSTE FOCUS ARTIKEL

NIEUWSTE PUBLICATIE

LAATSTE TWEETS

© 2018 bvba Joachim Meese | KBO 0821.420.546 | Privacy verklaring | Disclaimer | Verklarende woordenlijst

Blijf op de Hoogte!

Wenst u graag op de hoogte te blijven van belangrijke nieuwe wetgeving of rechtspraak in het strafrecht, of van nieuwe publicaties of lezingen van Joachim Meese, meld u dan aan voor onze berichtgeving.

Wij respecteren uw privacy. U kan bij elke mail heel eenvoudig uw inschrijving stopzetten of uw voorkeuren aanpassen. U ontvangt dus van ons nooit meer mails dan u wenst.

CONTACT

bvba Joachim Meese
Beukenpark 111
B-9880 Aalter
tel +32 (0)475 39 54 10
fax +32(0)9 395 46 92
advocaat@jmeese.be

REKENINGEN

Kantoorrekening
IBAN BE61 ‍6511 4711 1317
BIC KEYTBEBB

Derdenrekening
IBAN BE63 ‍6301 9510 0708
BIC BBRUBEBB

VOLGENDE LEZING

RECENTSTE FOCUS ARTIKEL

NIEUWSTE PUBLICATIE

LAATSTE TWEET

© 2018 bvba Joachim Meese | KBO 0821.420.546

2019-01-19T10:05:47+00:00
Wij gebruiken cookies voor de best mogelijke surfervaring (meer info). OK