EHRM
EHRM

Deadline pilootarrest internering is verstreken

6 DECEMBER 2018

Vandaag is het exact twee jaar geleden dat het pilootarrest W.D. tegen België van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) definitief is geworden. In dat arrest werd ons land veroordeeld voor de wijze waarop geïnterneerden worden behandeld in de Belgische gevangenissen. Er werd een termijn van twee jaar voorzien om orde op zaken te stellen en die termijn is nu dus voorbij.

Wat is een pilootarrest?

Oorspronkelijk werd een veroordeling door het EHRM aanzien als een beslissing met louter individuele gevolgen. Het EHRM ging er vroeger namelijk nog van uit dat het veroordeelde land zelf moest bepalen welk gevolg zou worden gegeven aan het arrest. Het Hof kende dan enkel een financiële vergoeding toe aan de verzoeker bij wijze van billijke genoegdoening.

Na verloop van tijd begon het EHRM echter ook te wijzen op structurele problemen, bv. in de wetgeving van het veroordeelde land. Op die manier konden bepaalde richtlijnen die het Hof meegaf in haar arresten, toch al leiden tot aanpassing van de wetgeving.

Sedert geruime tijd laat het EHRM Staten niet langer altijd de keuzevrijheid hoe een bepaald probleem op te lossen. Er kan namelijk gebruik worden gemaakt van pilootarresten. In een pilootarrest wordt dan aan het veroordeelde land uitgelegd hoe een bepaald structureel probleem in het land moet worden aangepakt.

Met een pilootarrest beoogt het EHRM:

  • te bepalen of er sprake is van een schending van het EVRM in de zaak die voorligt
  • de disfunctie in het nationale recht bloot te leggen die aan de basis ligt van die schending
  • duidelijke aanwijzingen te geven aan de regering hoe zij de disfunctie kan worden opgelost
  • te komen tot de creatie van een intern rechtsmiddel dat in staat is soortgelijke zaken af te handelen of ten minste te komen tot een schikking van alle dergelijke hangende zaken

Het eerste arrest waarin de term pilootarrest werd gebruikt, was het arrest Broniowski tegen Polen van 28 september 2005. Daarin werd een minnelijke schikking vastgelegd na een eerder arrest van 22 juni 2004 van de grote kamer, waarin het structurele probleem al was uiteengezet (namelijk het ontbreken van een vergoeding voor het verplicht verlaten van onroerende goederen op de grens van Polen na een grenswijziging volgend op de tweede wereldoorlog). Dat probleem raakte zowat 80.000 burgers waarvan er 167 een verzoekschrift bij het EHRM hadden ingediend. Ten gevolge van het pilootarrest moest Polen een oplossing uitwerken voor alle getroffen burgers, dus niet enkel voor de 167 verzoekers. Die oplossing kwam er met een wet van 2005 waarvan het EHRM achteraf vaststelde die die effectief in een voldoende mate van herstel voorzag. Ten gevolge daarvan werden de zaken op de rol van het Hof geschrapt.

Ook bv. Rusland (zie het arrest Burdov nr. 2) en Italië (zie het arrest Sejdovic en Scordino) kregen al pilootarresten te verwerken.

Voordelen en nadelen van pilootarresten

Het voordeel van pilootarresten is uiteraard duidelijk. Het laat immers toe een oplossing te forceren voor een probleem dat een grote groep van mensen benadeelt in het veroordeelde land, waarbij die oplossing niet alleen de toestand van de daadwerkelijke verzoekers verbetert maar alle getroffen burgers. Doorgaans zijn wel tientallen gelijkaardige zaken hangende voor het Hof. Door uitspraak te doen in één zaak en de overige uit te stellen, geeft het Hof het veroordeelde land de kans het structureel probleem op te lossen. Daardoor leidt een pilootarrest, als het tenminste goed wordt opgevolgd, er toe dat het aangekaarte probleem daadwerkelijk wordt aangepakt. Gevolg is dan ook een geringer aantal verzoekschriften voor het EHRM, dat al met een enorme werklast kampt.

Daar staat wel tegenover dat de techniek van pilootarresten ook grote nadelen kent. Een daarvan is dat de andere verzoekers wiens zaak is opgeschort, zich in een juridisch no-man’s land bevinden. Ze moeten immers wachten op een omzetting van het pilootarrest in het nationale recht en hebben lange tijd geen zekerheid over de vraag hoe en wanneer ze zullen worden gecompenseerd voor de geleden schade. Bovendien leiden pilootarresten niet altijd tot het gewenste resultaat.

Wat gebeurt er na een pilootarrest?

Op de uitvoering van arresten van het EHRM moet worden toegezien door het Comité van Ministers. Wanneer het gaat om een pilootarrest, wordt dan gebruik gemaakt van het zgn. versterkte toezicht. Dat houdt in dat er nauw wordt samengewerkt met de betrokken lidstaat via:

  • het verlenen van bijstand bij de voorbereiding en toepassing van actieplannen
  • het verlenen van bijstand bij de keuze van het type uitvoeringsmaatregelen
  • het opzetten van samenwerkingsprogramma’s

Achteraf kan de zaak dan opnieuw worden voorgelegd aan het Comité van Ministers, dat via resoluties verdere beslissingen kan nemen. Dat kan via interim-resoluties (als er nog verder actie door de Staat nodig is) of een eindresolutie (als het Comité van oordeel is dat de Staat alle noodzakelijke maatregelen heeft genomen ter uitvoering van het arrest of de beslissing).

Indien er geoordeeld wordt dat het structurele probleem werd opgelost, kunnen de hangende zaken normaliter worden afgesloten met een minnelijke schikking of een individuele remediëring. Nieuwe klachten over hetzelfde probleem zullen dan niet meer ontvankelijk zijn, aangezien de structurele oplossing onder meer moet bestaan in de creatie van een intern rechtsmiddel dat eerst moet worden aangewend.

Indien er geoordeeld wordt dat het structurele probleem werd opgelost, kunnen de hangende zaken normaliter worden afgesloten met een minnelijke schikking of een individuele remediëring. Nieuwe klachten over hetzelfde probleem zullen dan niet meer ontvankelijk zijn, aangezien de structurele oplossing onder meer moet bestaan in de creatie van een intern rechtsmiddel dat eerst moet worden aangewend.

Het arrest W.D. tegen België

De zaak die heeft geleid tot het arrest van 6 september 2016, betreft een zekere W.D. die schuldig werd verklaard aan aanranding van de eerbaarheid van een minderjarige. Hij pleegde die feiten op 19-jarige leeftijd. In 2007 werd beslist tot zijn internering. W.D. kampt onder meer met een autisme spectrum stoornis en wordt niet toerekeningsvatbaar geacht voor zijn daden. Het EHRM stelde vast dat hij sedertdien, dus gedurende meer dan negen jaar, in de de psychiatrische afdeling van de gevangenis in Merksplas verbleef zonder enige vorm van behandeling en zonder enig perspectief op heropname in de samenleving. Dat maakte voor het Hof een schending uit van het verbod op onmenselijke behandeling, zoals gewaarborgd door art. 3 EVRM (§116 van het arrest). Het Hof erkende wel dat de overheid vanaf 2011 bepaalde inspanningen heeft gedaan om een geschikte opvang te zoeken, maar stelde vast dat dit niets heeft opgeleverd en dat dit te wijten is aan een structureel probleem. In de psychiatrische afdeling van de gevangenissen is de medische ondersteuning van geïnterneerden immers onvoldoende en externe plaatsing is veelal onmogelijk door een gebrek aan plaatsen (§112).

Het Hof besliste ook dat de detentie zonder aangepaste hulp en therapie een schending uitmaakt van art. 5.1 EVRM (recht op vrijheid en veiligheid). Verder werd ook een schending van de artikelen 5.4 (recht op rechterlijke controle van de vrijheidsberoving) en 13 EVRM (recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel) vastgesteld.

Het eerste heeft te maken met het feit dat het Hof vaststelde dat een geïnterneerde in België eigenlijk niets kan beginnen om zijn toestand te verbeteren. Vanaf 2009 ambieerde W.D. een opvang buiten de gevangenis. Zijn detentie in Merksplas werd echter stelselmatig verlengd. Er werd immers geen externe instelling gevonden waar er plaats was of waar men bereid was W.D. op te nemen. Volgens de Belgische Staat was dat te wijten aan W.D. zelf, die onvoldoende gemotiveerd zou zijn geweest (§130). Het Hof veegde dat argument van tafel. W.D. heeft immers wel degelijk zijn wensen verduidelijkt en vroeg met name om een aangepaste behandeling voor daders van seksuele misdrijven. Dat verzoek was redelijk, zeker als rekening gehouden wordt met het feit dat een geïnterneerde zelf maar moeilijk kan oordelen over wat voor hem de geschikte therapie zou zijn (§131). Ten slotte verwees het Hof nog naar vier eerder principe-arresten tegen België, waarvan de zaak L.B. de eerste was (§132).

De schending van de artikelen 5.4 en 13 EVRM volgde bijna automatisch uit het voorgaande. Het Hof kon alleen maar vaststellen dat het gebrek aan een daadwerkelijk rechtsmiddel voor geïnterneerden in België een structureel probleem is dat te wijten is aan een tekort aan personeel in de psychiatrische afdelingen van de gevangenissen en een tekort aan plaatsen in externe instellingen (§151). Het probleem situeert zich dus niet enkel binnen justitie, maar ook binnen het departement volksgezondheid. Daartegen heeft een geïnterneerde geen verhaal. Ook het vragen van een schadevergoeding via de burgerlijke rechter werd door het Hof niet als een daadwerkelijk rechtsmiddel beschouwd. Dat kan namelijk enkel leiden tot een geldelijke tegemoetkoming, maar niet tot een verbetering van de situatie op vlak van detentie (§153).

Om al deze redenen werd de Belgische Staat verplicht om, binnen de twee jaar, de toestand van geïnterneerden te verbeteren en in overeenstemming te brengen met het EVRM. In afwachting daarvan werden alle gelijkaardige hangende zaken (dat zijn er een vijftigtal) tegen België opgeschort. Aan W.D. moest de Belgische Staat alvast een morele schadevergoeding van 16.000,00 euro betalen.

Gevolgen en huidige situatie

Het EHRM heeft twee jaar terug dus klare taal gesproken. De behandeling van geïnterneerden in België, al lang beschouwd als een schandvlek binnen justitie, moest anders. De Belgische Staat had dat na de eerste veroordelingen in Straatsburg wel al ingezien. Zo werd op 6 mei 2014 een forensisch psychiatrisch centrum in Gent ingehuldigd en werd daarna een gelijkaardig centrum in Antwerpen gebouwd (actief sinds augustus 2017). In die centra kunnen geïnterneerden worden opgevangen en voorzien van een aangepaste behandeling. In Gent zijn er 264 plaatsen (enkel voor mannen), in Antwerpen 182 (zowel mannen als vrouwen). Daarnaast zijn ook nog enkele kleinschaligere initiatieven te noteren (bv. Levanta, goed voor 18-20 plaatsen en het Forensisch Rehabilitatietehuis) en wordt gewerkt aan 2 bijkomende FPC’s in Wallonië.

Verder trad op 1 oktober 2016 ook een nieuwe interneringswet in werking die onder meer tot doel had de rechtspositie van geïnterneerden te verbeteren en de drempel om over te gaan tot internering te verhogen. Kort daarop werd een masterplan gevangenissen en internering goedgekeurd.

Ook in de rechtspraak kwam de problematiek van geïnterneerden ondertussen uiteraard verder aan bod. Het Hof van Cassatie besliste dat de kamer voor bescherming van de maatschappij niet bevoegd is om te oordelen over een eventueel in gebreke blijven van de Belgische Staat om de geïnterneerde binnen een redelijke termijn over te brengen van de psychiatrische afdeling van een gevangenis naar FPC, en ook niet over een vordering die ertoe strekt de Belgische Staat het bevel te geven daartoe over te gaan op straffe van de verbeurte van een dwangsom (Cass. 27 januari 2017, C.16.0535.N). Burgerlijke rechtbanken verklaarden zich daarna wel bevoegd en beslisten in enkele zaken dat de geïnterneerde eiser moest worden overgebracht of vrijgesteld en dit onder verbeurte van een dwangsom. De vraag is wel nog of die rechtspraak consistent genoeg is om te kunnen spreken over een daadwerkelijk rechtsmiddel in de zin van art. 13 EVRM.

De bevoegde ministers verklaarden twee jaar terug dat er tegen het einde van de legislatuur geen enkele geïnterneerde meer in de gevangenis mag verblijven, maar die doelstelling zal helaas niet worden gehaald: er is weliswaar een opmerkelijke daling vastgesteld van het aantal geïnterneerden die zonder gepaste zorg in gevangenissen verblijven, maar aan een nulcijfer zijn we nog niet toe.

De bevoegde ministers verklaarden twee jaar terug dat er tegen het einde van de legislatuur geen enkele geïnterneerde meer in de gevangenis mag verblijven, maar die doelstelling zal helaas niet worden gehaald: er is weliswaar een opmerkelijke daling vastgesteld van het aantal geïnterneerden die zonder gepaste zorg in gevangenissen verblijven, maar aan een nulcijfer zijn we nog niet toe.

Nu de termijn van twee jaar voorbij is, is het in elk geval tijd voor evaluatie. Op het niveau van het Comité van Ministers wordt dit dossier nauwlettend opgevolgd. Uit het verslag van de bijeenkomst van 18-20 september 2018 blijkt dat de stappen die er al genomen zijn, zeker worden gewaardeerd. De regering wordt ook aangezet verder te gaan op het ingeslagen pad en opnieuw te rapporteren tegen eind 2019. Op 20 september 2018 werd trouwens ook een eindresolutie genomen in negen andere zaken waarin de betrokkenen niet langer geïnterneerd waren of ondertussen waren overgeplaatst naar een gepaste instelling. Het lijkt er dus op dat er nog een extra jaar wordt gegund om ook de situatie van die geïnterneerden die nu nog in de gevangenis verblijven en de nodige zorg ontberen, te verbeteren.

Deel dit bericht

Verwante berichten

Theory and practice of the European Convention on Human Rights Begin 2018 verscheen de vijfde editie van het legendarische boek Theory and Practice of the European Convention on Human Rights, een internationaal standaardwerk inzake mensenrechten in Europa. Aan deze editie werd gewerkt door vele gezaghebbende auteurs in dat domein. lees meer Het recht van de beklaagde om persoonlijk aanwezig te zijn bij het strafproces In een arrest van 30 mei 2017 heeft het Hof van Cassatie uitspraak gedaan over het recht van de beklaagde om zelf aanwezig te zijn op het strafproces en eraan deel te nemen. In de noot bij dit arrest, wordt aandacht besteed aan de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, waaruit blijkt dat van het recht op persoonlijke deelname aan het strafproces slechts in uitzonderlijke omstandigheden mag worden afgeweken. lees meer Kryževičius t. Litouwen: dwang om te getuigen tegen echtgenote schendt art. 8 EVRM Het EHRM heeft zich op 11 december 2018 in de zaak Kryzevicius t. Litouwen uitgesproken over een vraag met betrekking tot het getuigenverhoor tussen aanverwanten.

Met name werd de verzoeker veroordeeld omdat hij weigerde te getuigen tegen zijn echtgenote, die het statuut van 'special witness' had gekregen. Dat laatste komt er naar Litouws recht op neer dat er onvoldoende bewijs voorhanden is om haar te aanzien als verdachte, maar dat het niet uitgesloten is dat zij uiteindelijk als verdachte in aanmerking zal worden genomen. Het verbod om echtgenoten te dwingen tegen elkaar te getuigen, zou volgens Litouws recht in dat geval niet van toepassing zijn. Het EHRM komt tot het...
lees meer
Adamčo t. Slowakije: onvolkomen rechterlijke controle op getuigenbewijs afkomstig van spijtoptant schendt recht op eerlijk proces Het arrest in de zaak Adamčo t. Slowakije (EHRM 12 november 2019) is interessant omdat het Hof zich daarin onder meer uitspreekt over de gevolgen van het gebruik van een belastende verklaring afgelegd door een getuige die hiervoor als medebeklaagde zelf voordelen heeft genoten bij zijn eigen vervolging. Of eenvoudiger uitgedrukt: een spijtoptant.

Bij onze bespreking van dit arrest komen wij tot het besluit dat Belgische zaken waarin verklaringen van getuigen worden gebruikt die hiervoor voordelen hebben bekomen buiten de Belgische algemene spijtoptantenregeling om, tot heel wat discussie aanleiding lijken te kunnen geven in de toekomst.
lees meer
Dataretentie: het hof van justitie waakt over onze privacy In nummer 41 van jaargang 80 van het tijdschrift Rechtskundig Weekblad verscheen een kanttekening van Joachim Meese over dataretentie door telecomoperatoren. Daarbij gaat het over het bewaren en opvragen van gegevens (‘metadata’) van telecommunicatie. Uit die gegevens kan heel wat informatie worden gehaald, zoals het tijdstip en de duur van telefoongesprekken, de bestemmeling ervan en zelfs het surfgedrag. lees meer Amanda Knox t. Italië: onvoldoende onderzoek naar mensonwaardige behandeling, gebrek aan bijstand en een te voortvarende tolk leiden tot oneerlijk proces Het verhaal van Amanda Knox is wellicht iedereen bekend. Deze Amerikaanse uitwisselingsstudente werd verdacht van de moord op Meredith Kercher in 2007 in Perugia (Italië) en zat hierdoor 4 jaar in de gevangenis in Italië. De zaak en het lange proces kregen heel wat media-aandacht. Na eerder te zijn veroordeeld, werd Amanda Knox uiteindelijk op 27 maart 2015 definitief vrijgesproken voor de moord bij arrest van het Italiaanse Hof van Cassatie. Op Netflix is intussen een documentaire te zien over de zaak.

Op 24 januari 2019 deed het EHRM uitspraak in de zaak Knox t. Italië. Dit arrest is een uitloper van de strafprocedure die in Italië tegen Amanda Knox...
lees meer
regeling der rechtspleging Rechtsmiddelen in het kader van de regeling der rechtspleging In deze video verduidelijkt Joachim Meese welke rechtsmiddelen kunnen worden aangewend in het kader van de regeling der rechtspleging. Aandacht wordt daarbij met name besteed aan beslissingen tot opschorting, internering, buitenvervolgingstelling en verwijzing naar de vonnisrechter. lees meer Stirmanov t. Rusland: procureur die zich uitspreekt over schuld aan verjaarde feiten schendt het vermoeden van onschuld In een arrest van 29 januari 2019 (Stirmanov t. Rusland) heeft het EHRM Rusland veroordeeld wegens een miskenning van het vermoeden van onschuld. De aanleiding tot die veroordeling was een beslissing van een Russische procureur om geen onderzoek te openen wegens verjaring. In die beslissing werd namelijk duidelijk standpunt ingenomen over de schuld van de verdachte. lees meer Commentaar EVRM Sdu Commentaar EVRM editie 2020-2021 In Sdu Commentaar EVRM editie 2020-2012worden het EVRM en de Protocollen artikelsgewijs becommentarieerd. Per artikel vindt u een helder en praktisch, maar vooral diepgaand commentaar, geïllustreerd met diverse citaten uit de rechtspraak van het EHRM. Ook vindt u per artikel een actueel overzicht van literatuur. Het werk bestaat uit twee delen van respectievelijk 1612 en 876 pagina's. Een onmisbaar werkinstrument voor practici die met kennis van zaken een beroep willen doen op het EVRM! lees meer Ēcis t. Letland: ernstig ongelijke strafuitvoering mannen en vrouwen schendt de artikelen 14 en 8 EVRM In de zaak Ēcis t. Letland heeft het EHRM zich op 10 januari 2019 uitgesproken over de vraag of een verschillende behandeling van mannen en vrouwen bij de strafuitvoering al dan niet een schending oplevert van het EVRM.

De verzoeker zat in de gevangenis tussen 2002 en 2015. In 2008 verzocht hij om de begrafenis van zijn vader te kunnen bijwonen, maar dit werd geweigerd bij gebrek aan wettelijke grondslag. De verzoeker zat namelijk in een ‘maximum-security’ gevangenis en kwam daardoor naar Lets recht niet in aanmerking voor de gevraagde gunst. Naar aanleiding daarvan beklaagde hij zich erover dat andere wettelijke regelingen gelden bij de strafuitvoering van mannen dan het...
lees meer
Hasan Köse t. Turkije: straf met uitstel wegens ernstig politiegeweld schendt art. 2 EVRM In een arrest van vandaag (Hasan Köse t. Turkije) heeft het EHRM zich nogmaals uitgesproken over de positieve verplichting die op de overheid rust om voorvallen van ernstig politiegeweld te onderzoeken en te bestraffen.

De verzoeker werd samen met zijn broer op weg naar het werk gestopt door de wegpolitie. Toen zij om identificatie vroegen van de twee politieagenten, raakten de gemoederen verhit en begonnen de politieagenten de broers te slaan en maakten zij gebruik van traangas. Ze toonden geen identificatie, wat de broers deed vrezen dat ze te maken hadden met dieven die zich hadden vermomd als politie. Een van de broers trachtte een knuppel uit zijn wagen te...
lees meer
Venet t. België: laattijdige oproeping voor zitting Hof van Cassatie schendt art. 5.4 EVRM Bij arrest van 22 oktober 2019 (Venet t. België) werd ons land veroordeeld wegens een schending van artikel 5.4 EVRM.

In casu ging het om een inverdenkinggestelde die cassatieberoep had aangetekend tegen de handhaving van zijn aanhouding door de kamer van inbeschuldigingstelling, maar niet aanwezig kon zijn ter zitting van het Hof van Cassatie door de laattijdige ontvangst van de oproeping.
lees meer
recht om te zwijgen Recht om te zwijgen maar toch verplicht om te spreken? In een arrest van 4 februari 2020 (P.19.1068.N) heeft het Hof van Cassatie beslist dat een verdachte die de toegangscode tot een informaticasysteem kent (bijv. zijn eigen gsm-toestel), maar weigert die op te geven ondanks een daartoe strekkend bevel van de onderzoeksrechter, strafbaar is.

In het kader van de rubriek 'actualiteit' van het Rechtskundig Weekblad, werd hierover een kritische analyse van Joachim Meese gepubliceerd.
lees meer
Het getuigenverhoor à décharge na het arrest Murtazaliyeva Op 26 februari 2019 verduidelijkte het Hof van Cassatie met welke elementen de strafrechter rekening moet houden bij zijn beslissing om een getuige à décharge al dan niet te horen.

In deze bijdrage gaan we wat dieper in op de vraag hoe over diezelfde vraag werd geoordeeld door de Grote Kamer van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in het arrest Murtazaliyeva (EHRM 18 december 2018, Murtazaliyeva t. Rusland).

Terloops maken we ook even melding van een arrest van het EHRM van 7 maart 2019 in de zaak Abdullayev t. Azerbeidzjan.
lees meer
Gjini t. Servië: geweld tussen gedetineerden vereist ook zonder strafklacht grondig onderzoek In een arrest van vandaag deed het EHRM uitspraak in een zaak waarin de verzoeker, een Kroatische onderdaan, ernstig fysiek en mentaal werd mishandeld in een Servische gevangenis door Servische medegedetineerden (zie het overzicht van de feiten in de randnes. 11-22 van het arrest). Deze mishandeling stopte pas nadat de advocaat van de verzoeker om een overplaatsing had verzocht nadat hij had gezien dat er duidelijk iets aan zijn cliënt schortte, ook al wou hijzelf daarover niets kwijt.

Interessant aan het arrest is dat het EHRM de exceptie van de Servische overheid dat niet alle interne rechtsmiddelen werden uitgeput (art. 35 EVRM), verwerpt: het feit dat de verzoeker geen strafklacht...
lees meer
Kobiashvili t. Georgië: over politionele informatie en onbetrouwbaar bewijs De zaak Kobiashvili t. Georgië begint op 4 juli 2004, wanneer de korpschef van de 'district police department' in Tbilisi een dringende opdracht geeft om Kobiashvili te fouilleren. De man zou namelijk in het bezit zijn van verdovende middelen die in beslag moeten worden genomen. Deze opdracht werd schriftelijk gegeven op een standaardformulier waarop de naam van de verzoeker met de hand werd ingevuld. De oorsprong van de opdracht zou terug te brengen zijn tot politionele informatie.

Bij uitvoering van deze opdracht zou gebleken zijn dat Kobiashvili inderdaad in het bezit was van 0,059 gram heroïne. Het dossier bevat ook twee verklaringen van getuigen die door de politie op straat zouden...
lees meer
Criminis snelnieuws Hoger beroep tegen beschikking van de raadkamer inzake internering vereist grieven In een arrest van 8 oktober 2019 (P.19.0611.N) heeft het Hof van Cassatie beslist dat het hoger beroep dat wordt ingesteld tegen de beschikking van de raadkamer waarbij een beslissing wordt genomen inzake internering, slechts ontvankelijk is als er grieven worden geformuleerd tegen die beslissing. lees meer Rooman t. België: langdurige detentie zonder gepaste zorg bij gebrek aan Duitstalige zorgverleners schendt art. 3 en 5 EVRM In een arrest van 31 januari 2019 (Rooman t. België) heeft de Grote Kamer België veroordeeld wegens schending van artikel 3 EVRM (onmenselijke behandeling) en artikel 5 EVRM (onwettige vrijheidsberoving). lees meer