volgberoep
volgberoep

Ook de beklaagde beschikt voortaan over een volgberoep

6 JUNI 2019

Het Grondwettelijk Hof heeft zich in een arrest van 6 juni 2019 (nr. 96/2019) nog maar eens uitgesproken over het in 2016 gewijzigde hoger beroep in strafzaken. Daarin beslist het Hof dat er sprake is van een schending van het gelijkheidsbeginsel in zoverre de wet “wanneer de procureur des Konings tussen de twintigste en de dertigste dag van de beroepstermijn hoger beroep instelt tegen een op tegenspraak gewezen vonnis, voor de beklaagde niet voorziet in eenzelfde bijkomende termijn” (namelijk de termijn die voorzien is voor het openbaar ministerie wanneer het volgberoep instelt).

Volgberoep

In essentie komt deze beslissing erop neer dat het volgberoep waarover het openbaar ministerie beschikt, ook moet openstaan voor de beklaagde.

Overeenkomstig artikel 203, §1 van het Wetboek van Strafvordering, beschikt het openbaar ministerie over een bijkomende termijn van 10 dagen om hoger beroep in te stellen, nadat de beklaagde of de burgerrechtelijk aansprakelijke partij hoger beroep heeft aangetekend. Daar waar zowel voor de beklaagde als voor het openbaar ministerie standaard een beroepstermijn van 30 dagen geldt, voorziet de wet dus in een bijkomende termijn voor het openbaar ministerie wanneer het wil reageren op een hoger beroep dat ingesteld wordt door de beklaagde (of de burgerrechtelijk aansprakelijke partij).

In de praktijk is het namelijk zo dat wanneer een beklaagde hoger beroep aantekent, het openbaar ministerie dat bijna steeds ook doet om het de appelrechters mogelijk te maken tot strafverzwaring te beslissen mocht men dat wenselijk achten (het zogenaamde volgberoep). De wetgever vond het in 2016 nodig om het openbaar ministerie daarvoor 10 dagen extra te geven om te vermijden dat het zou worden verschalkt door een op de valreep aangetekend hoger beroep uitgaand van de beklaagde of de burgerrechtelijk aansprakelijke partij. Nochtans is er ook nog artikel 205 van het Wetboek van Strafvordering, dat sowieso voorziet in een langere termijn (40 dagen) voor het openbaar ministerie bij het appelgerecht (zie daarover onze eerdere bijdrage hoger beroep door het openbaar ministerie bij het appelgerecht). Een volgberoep kan dus sowieso altijd op grond van deze bepaling.

Verschalking van de beklaagde

Aan het omgekeerde scenario, namelijk een verschalking van de beklaagde of burgerrechtelijk aansprakelijke partij door een op de valreep aangetekend hoger beroep uitgaand van het openbaar ministerie, heeft de wetgever niet gedacht. Vóór de wijzigingen in 2016 kon dat scenario geen probleem opleveren. Het hoger beroep van het openbaar ministerie had dan namelijk automatisch een volledig nieuwe beoordeling van de zaak tot gevolg. Zo kon op het enkel hoger beroep van het openbaar ministerie een veroordeling altijd omgezet worden in een vrijspraak, wat ook de reden was van het hoger beroep. Een apart door de beklaagde ingesteld hoger beroep was dus overbodig. De invoering van het zogenaamde grievenstelsel in 2016 (door de Potpourri II-wet) bracht hierin echter verandering. Sedertdien wordt het debat voor de appelrechter namelijk begrensd door de grieven die de partijen hebben geformuleerd. Tekent enkel het openbaar ministerie hoger beroep aan met als enige grief ‘straftoemeting’, dan kan de appelrechter zich dus niet meer buigen over de schuldvraag.

Een beklaagde kan nu dus wel worden verschalkt door een op de valreep ingesteld hoger beroep van het openbaar ministerie. Het debat voor de appelrechter wordt dan namelijk beperkt door de grieven van het openbaar ministerie, zonder dat de beklaagde zelf nog grieven kan formuleren.

Schending van het gelijkheidsbeginsel

In het arrest van 6 juni 2019 wordt door het Grondwettelijk Hof gepreciseerd dat het voorgaande niet verenigbaar is met het gelijkheidsbeginsel. Daar waar het openbaar ministerie nog kan reageren op een hoger beroep dat op het einde van de beroepstermijn wordt ingesteld door de beklaagde, is omgekeerd die mogelijkheid niet voorhanden voor de beklaagde.

Het Hof stelt zelfs vast dat die beperking nog wordt verergerd “door het feit dat geen enkele wetsbepaling vereist dat de beklaagde anderszins van de verklaring van hoger beroep van het openbaar ministerie op de hoogte wordt gebracht dan via de dagvaarding om voor het gerecht in hoger beroep te verschijnen, die mogelijk pas heel wat later aan de beklaagde wordt betekend”, terwijl omgekeerd het openbaar ministerie op de dag van de neerlegging, door de beklaagde, van het verzoekschrift tot hoger beroep door de griffie op de hoogte wordt gebracht (overweging B.8.2 van het arrest).

Het Hof besluit hieruit “dat het hoger beroep dat door een beklaagde is ingesteld tegen een op tegenspraak gewezen vonnis waartegen de procureur des Konings tussen de 20een de 30edag van de beroepstermijn hoger beroep heeft ingesteld, ontvankelijk kan worden verklaard wanneer het is ingesteld in de tien dagen die volgen op dat hoger beroep” (overweging B.11.1).

Concrete gevolgen

Concreet betekent dit dus dat het volgberoep dat de wet toekent aan het openbaar ministerie, voortaan ook bestaat voor de beklaagde. Tekent de procureur des Konings hoger beroep aan in de laatste 10 dagen van de standaardtermijn, dan kan de beklaagde ook nog hoger beroep aantekenen op strafgebied binnen de 10 dagen die volgen op het hoger beroep van het openbaar ministerie, waarbij de termijn van 30 dagen dus mag worden overschreden. Die nieuwe regel is van toepassing op alle hangende zaken, maar kan niet leiden het ongedaan maken van reeds definitieve beslissingen. Het Grondwettelijk Hof beslist namelijk om de gevolgen te handhaven voor de definitieve rechterlijke beslissingen op tegenspraak die gewezen zijn vóór de bekendmaking van het arrest in het Belgisch Staatsblad.

De vraag is nu of men in die hangende zaken de beklaagde kan verwijten dat hij geen hoger beroep heeft aangetekend dat wettelijk niet eens bestond, namelijk binnen de 10 dagen volgend op het hoger beroep door het openbaar ministerie. Dit zal ongetwijfeld aanleiding geven tot discussies over de precieze saisine van de appelrechter ingevolge het enkele hoger beroep van het openbaar ministerie.

In de zaak die aanleiding gaf tot het arrest van 6 juni 2019, had de beklaagde effectief hoger beroep aangetekend buiten de termijn van 30 dagen maar binnen de termijn van de 10 bijkomende dagen die de wet niet voorziet maar zou moeten voorzien volgens het Grondwettelijk Hof. Het ging dus om een heel wakkere beklaagde. Hij paste namelijk een termijn toe die de wet niet toekent, maar anticipeerde al op een later aan te voeren betwisting inzake het gelijkheidsbeginsel. In de praktijk zullen uiteraard nog veel zaken hangende zijn waarin de beklaagde minder alert is geweest. De vraag is nu of men in die hangende zaken de beklaagde kan verwijten dat hij geen hoger beroep heeft aangetekend dat wettelijk niet eens bestond, namelijk binnen de 10 dagen volgend op het hoger beroep door het openbaar ministerie. Dit zal ongetwijfeld aanleiding geven tot discussies over de precieze saisine van de appelrechter ingevolge het enkele hoger beroep van het openbaar ministerie.

Het zou overigens kunnen dat men in die zaken pas voor het appelgerecht voorhoudt dat men naar aanleiding van het hoger beroep door het openbaar ministerie moet kunnen beschikken over een vorm van incidenteel beroep over de strafvordering (wat nu niet bestaat). Daar valt namelijk ook iets voor te zeggen. Het probleem waarmee de beklaagde wordt geconfronteerd, is namelijk niet zozeer dat hij nog (hoofd)beroep moet kunnen aantekenen na het hoger beroep van het openbaar ministerie, maar wel dat hij de saisine van de appelrechter moet kunnen uitbreiden tot beslissingen op strafgebied waarover door het openbaar ministerie geen grieven werden geformuleerd. Een andere oplossing zou er dus ook in kunnen bestaan om een dergelijke uitbreiding mogelijk te maken tot aan het sluiten der debatten voor de appelrechter. Het Grondwettelijk Hof heeft in een arrest van 16 mei 2019 (zie ons eerder bericht van die dag) trouwens al vastgesteld dat de beperking van de saisine door het grievenstelsel niet geheel grondwettelijk is.

Nog nieuwe vragen

Zoals wel vaker het geval is, leidt het arrest van 6 juni 2019 trouwens ook nog tot enkele nieuwe vragen.

  1. Wat met de burgerrechtelijke aansprakelijke partij?

Vooreerst moet vastgesteld worden dat het arrest het enkel heeft over het hoger beroep ingesteld door de beklaagde. Aangenomen moet echter worden dat het volgberoep ook geldt voor de burgerrechtelijk aansprakelijke partij die geconfronteerd wordt met een hoger beroep van het openbaar ministerie.

  1. Wat bij hoger beroep door het openbaar ministerie bij het appelgerecht?

Verder zegt het arrest niets over de situatie waarbij het openbaar ministerie bij het appelgerecht hoger beroep aantekent met toepassing van artikel 205 van het Wetboek van Strafvordering. Die vraag was namelijk niet aan de orde in het geding dat aanleiding gaf tot de prejudiciële vraag gesteld door het Hof van Cassatie.

Ook in dat geval kan de beklaagde echter verschalkt worden door een op de valreep ingesteld hoger beroep. Meer nog, het hoger beroep kan zelfs nog worden ingesteld wanneer de termijn voor de beklaagde zelf al helemaal verstreken is, aangezien de toepasselijke termijn van 40 dagen langer is dan de 30 dagen waarover de beklaagde beschikt.

Naar analogie mag dus aangenomen worden dat een beklaagde (of burgerrechtelijk aansprakelijke partij) die geconfronteerd wordt met een hoger beroep dat overeenkomstig voornoemd artikel 205 werd aangetekend tussen de 20e en de 40e dag, moet beschikken over een termijn van 10 dagen te rekenen vanaf dat hoger beroep om alsnog zelf hoger beroep in te stellen. Die situatie moet weliswaar nog worden voorgelegd aan het Grondwettelijk Hof, maar deze oplossing lijkt in het licht van het arrest van 6 juni 2019 onvermijdelijk.

Naar analogie mag dus aangenomen worden dat een beklaagde (of burgerrechtelijk aansprakelijke partij) die geconfronteerd wordt met een hoger beroep dat overeenkomstig voornoemd artikel 205 werd aangetekend tussen de 20en de 40dag, moet beschikken over een termijn van 10 dagen te rekenen vanaf dat hoger beroep om alsnog zelf hoger beroep in te stellen. Die situatie moet weliswaar nog worden voorgelegd aan het Grondwettelijk Hof, maar deze oplossing lijkt in het licht van het arrest van 6 juni 2019 onvermijdelijk.

  1. En wat met de beslissing op burgerrechtelijk gebied?

Er is ten slotte nog de vraag of het volgberoep waarover de beklaagde nu beschikt, evenzeer aanleiding moet geven tot een bijkomende termijn om alsnog het debat voor de appelrechter uit te breiden naar de beslissing op burgerlijk gebied. Het volgberoep dat nu ontstaat door het arrest van 6 juni 2019, heeft enkel betrekking op de strafvordering. Bij gebreke aan een hoger beroep van de burgerlijke partij, kan geen incidenteel beroep worden ingesteld, maar dus ook geen hoofdberoep als de termijn om dat te doen (30 dagen) intussen is verstreken. Nochtans is het niet ondenkbaar dat een beklaagde die geconfronteerd wordt met een op de valreep aangetekend hoger beroep op strafgebied, ook de beslissing op burgerlijk gebied alsnog in het debat wil houden. Dat zou enkel kunnen indien ook daarvoor voorzien wordt in een bijkomende termijn. Daarbij zou kunnen gedacht worden – ook al is de situatie niet geheel vergelijkbaar – aan een termijn die analoog is aan de in artikel 203, §2 van het Wetboek van Strafvordering voorziene bijkomende termijn van 10 dagen voor de burgerlijke partij die geconfronteerd wordt met een hoger beroep dat tegen haar is gericht en waarbij die partij een of meerdere beklaagden of civielrechtelijk aansprakelijke partijen in de zaak wenst te houden.

Opgemerkt moet worden dat een vraag met betrekking tot deze problematiek werd voorgelegd aan het Grondwettelijk Hof, maar in het arrest van 6 juni 2019 onbeantwoord bleef omdat de vraag niet dienend was voor het geschil dat aanleiding gaf tot de prejudiciële vraag (zie overweging B.13).

Onvolledige beoordeling

Het is dus duidelijk dat ook na het arrest van 6 juni 2019 nog tal van vragen kunnen voorgelegd worden aan het Grondwettelijk Hof met betrekking tot beroepstermijnen en met betrekking tot het grievenstelsel.

Het is uiteraard eigen aan de taak van het Grondwettelijk Hof om prejudiciële vragen te beantwoorden, dat het antwoord beperkt blijft tot datgene dat dienend is voor het onderliggende geschil. Dat neemt niet weg dat het jammer is dat tot nu toe geen algehele beoordeling van het grievenstelsel heeft plaatsgevonden. Dat gebeurde namelijk niet voldoende in het kader van de beoordeling van het verzoek tot vernietiging van de Potpourri II-wet. In dat arrest werden trouwens met betrekking het grievenstelsel geen ongrondwettigheden vastgesteld (GwH 21 december 2017, nr. 148/2017). Uiteraard was het Hof ook in het kader van die beoordeling maar gehouden te antwoorden op de middelen die de verzoekers hebben aangevoerd. En die waren, zo blijkt, duidelijk niet voldoende uitgewerkt op dit punt. Het gevolg is dat het volledig uitklaren van alle (grondwettelijke en andere) problemen die zijn ontstaan door het gewijzigde hoger beroep in strafzaken pas zal bereikt worden door een lappendeken aan arresten van zowel het Hof van Cassatie als het Grondwettelijk Hof. Daarvan zijn er weliswaar al een pak geveld, maar nog lang niet allemaal.

Anders dan wat de wetgever destijds heeft aangekondigd, is het nieuwe hoger beroep dus geen quick win. Het is een epic fail.

Voor rechtspractici en appelrechters is die toestand alles behalve aangenaam. Het wekt ook geen verwondering dat recent door een verzekeraar werd aangegeven dat het aantal dossiers inzake beroepsaansprakelijkheid van advocaten behoorlijk is gestegen naar aanleiding van diverse onontvankelijk verklaarde hogere beroepen (en ongedaan verklaarde verzetten) (bron).

Anders dan wat de wetgever destijds heeft aangekondigd, is het nieuwe hoger beroep dus geen quick win. Het is een epic fail.

Deel dit bericht

Verwante berichten

Retroactieve verlenging van verjaringstermijn is ongrondwettig In een arrest van 4 april 2019 bevestigt het Grondwettelijk Hof een principe dat evident lijkt maar in 2018 toch door de wetgever werd miskend: een verlenging van de verjaring van de strafvordering kan niet van toepassing worden verklaard op een datum die aan de publicatie van de wet in het Staatsblad voorafgaat.

Concreet gaat het hier om de wet van 6 maart 2018 tot verbetering van de verkeersveiligheid, die onder meer de verjaringstermijn voor de meeste verkeersdelicten heeft verlengd tot twee jaar.

Opgemerkt kan worden dat diezelfde wet ook nog andere bepalingen bevat die met miskenning van het legaliteitsbeginsel retroactief van toepassing werden verklaard ...

lees meer
Strafrecht in de onderneming Dit boek benadert het straf- en het strafprocesrecht praktisch vanuit het standpunt van de ondernemer. Voor veel ondernemers is het strafrecht als ondernemersrisico nog steeds een grote onbekende. Nochtans wijst de actualiteit erop dat de strafrechtelijke risico’s voor de ondernemer niet verwaarloosbaar zijn. lees meer Rechtsmiddelen in het kader van de regeling der rechtspleging In deze video verduidelijkt Joachim Meese welke rechtsmiddelen kunnen worden aangewend in het kader van de regeling der rechtspleging. Aandacht wordt daarbij met name besteed aan beslissingen tot opschorting, internering, buitenvervolgingstelling en verwijzing naar de vonnisrechter. lees meer Strafbaarheid van het zonder toestemming verspreiden van seksueel getint audio- of beeldmateriaal vereist geen herkenbaarheid van het slachtoffer voor derden Artikel 371/1, 1e lid, 2° van het Strafwetboek bestraft hij die de beeld- of geluidsopname van een ontblote persoon of een persoon die een expliciete seksuele daad stelt zonder diens toestemming of buiten diens medeweten toont, toegankelijk maakt of verspreidt, ook al heeft die persoon ingestemd met het maken ervan. Die bepaling werd ingevoegd bij wet van 1 februari 2016 tot wijziging van diverse bepalingen wat de aanranding van de eerbaarheid en het voyeurisme betreft.

In een arrest van 29 oktober 2019 (P.19.0800.N) verduidelijkt het Hof van Cassatie dat voor de strafbaarheid van het tonen of verspreiden van dergelijke beelden niet vereist is dat hij of zij die erop voorkomt, herkenbaar is voor derden.
lees meer
Rooman t. België: langdurige detentie zonder gepaste zorg bij gebrek aan Duitstalige zorgverleners schendt art. 3 en 5 EVRM In een arrest van 31 januari 2019 (Rooman t. België) heeft de Grote Kamer België veroordeeld wegens schending van artikel 3 EVRM (onmenselijke behandeling) en artikel 5 EVRM (onwettige vrijheidsberoving). lees meer Kobiashvili t. Georgië: over politionele informatie en onbetrouwbaar bewijs De zaak Kobiashvili t. Georgië begint op 4 juli 2004, wanneer de korpschef van de 'district police department' in Tbilisi een dringende opdracht geeft om Kobiashvili te fouilleren. De man zou namelijk in het bezit zijn van verdovende middelen die in beslag moeten worden genomen. Deze opdracht werd schriftelijk gegeven op een standaardformulier waarop de naam van de verzoeker met de hand werd ingevuld. De oorsprong van de opdracht zou terug te brengen zijn tot politionele informatie.

Bij uitvoering van deze opdracht zou gebleken zijn dat Kobiashvili inderdaad in het bezit was van 0,059 gram heroïne. Het dossier bevat ook twee verklaringen van getuigen die door de politie op straat zouden zijn...
lees meer
Recht om te zwijgen maar toch verplicht om te spreken? In een arrest van 4 februari 2020 (P.19.1068.N) heeft het Hof van Cassatie beslist dat een verdachte die de toegangscode tot een informaticasysteem kent (bijv. zijn eigen gsm-toestel), maar weigert die op te geven ondanks een daartoe strekkend bevel van de onderzoeksrechter, strafbaar is.

In het kader van de rubriek 'actualiteit' van het Rechtskundig Weekblad, werd hierover een kritische analyse van Joachim Meese gepubliceerd.
lees meer
Een Europees onderzoeksbevel is geen Europees aanhoudingsbevel In een arrest van 8 december 2020 (C-584/19) besliste het Hof van Justitie dat een Europees onderzoeksbevel kan worden uitgevaardigd door een parketmagistraat die niet onafhankelijk is van de uitvoerende macht. Anders dus dan wat werd aangenomen met betrekking tot het uitvaardigen van een Europees aanhoudingsbevel. lees meer Kryževičius t. Litouwen: dwang om te getuigen tegen echtgenote schendt art. 8 EVRM Het EHRM heeft zich op 11 december 2018 in de zaak Kryzevicius t. Litouwen uitgesproken over een vraag met betrekking tot het getuigenverhoor tussen aanverwanten.

Met name werd de verzoeker veroordeeld omdat hij weigerde te getuigen tegen zijn echtgenote, die het statuut van 'special witness' had gekregen. Dat laatste komt er naar Litouws recht op neer dat er onvoldoende bewijs voorhanden is om haar te aanzien als verdachte, maar dat het niet uitgesloten is dat zij uiteindelijk als verdachte in aanmerking zal worden genomen. Het verbod om echtgenoten te dwingen tegen elkaar te getuigen, zou volgens Litouws recht in dat geval niet van toepassing zijn. Het EHRM komt tot het besluit...
lees meer
U hebt het recht om te zwijgen ... maar als u uw zwijgrecht gebruikt, riskeert u daarvoor wel tot vijf jaar gevangenisstraf In een arrest van 4 februari 2020 heeft het Hof van Cassatie beslist dat een verdachte die de toegangscode tot een informaticasysteem kent (bijv. zijn eigen gsm-toestel), maar weigert die op te geven ondanks een daartoe strekkend bevel van de onderzoeksrechter, strafbaar is. Dit arrest werd onmiddellijk opgepikt door de media en zal ongetwijfeld belangrijke gevolgen hebben voor de praktijk. Onze kritische en uitgebreide bespreking van het arrest is nu te lezen op Criminis. lees meer Cassatie verfijnt rechtspraak verhoor getuige à charge In twee arresten van 8 september 2020 heeft het Hof van Cassatie de rechtspraak over het al dan niet verplicht horen van een getuige à charge verfijnd. Wij vatten voor u samen wat uit deze arresten moet worden onthouden. lees meer Uniform reglement verhoorbijstand Salduz gepubliceerd In het Staatsblad van vandaag is het "Uniform reglement verhoorbijstand Salduz in het kader van de permanentiedienst" van de Orde van Vlaamse Balies verschenen. In de toekomst zullen enkel advocaten die een bijzondere opleiding voor bijstand van verdachten tijdens het verhoor hebben gevolgd, nog ingeschreven kunnen worden op de permanentiedienst waarop een beroep wordt gedaan wanneer een advocaat wordt gezocht voor het verlenen van bijstand aan een gearresteerde verdachte. lees meer Openbaar ministerie mag advies verlenen bij loutere afhandeling burgerlijke belangen In een arrest van 29 september 2020 heeft het Hof van Cassatie verduidelijkt dat het openbaar minsterie bij de afhandeling van de burgerlijke belangen aanwezig mag zijn ter terechtzitting en er zijn advies over de beoordeling van de burgerlijke vordering kenbaar mag maken. lees meer Het getuigenverhoor à décharge na het arrest Murtazaliyeva Op 26 februari 2019 verduidelijkte het Hof van Cassatie met welke elementen de strafrechter rekening moet houden bij zijn beslissing om een getuige à décharge al dan niet te horen.

In deze bijdrage gaan we wat dieper in op de vraag hoe over diezelfde vraag werd geoordeeld door de Grote Kamer van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in het arrest Murtazaliyeva (EHRM 18 december 2018, Murtazaliyeva t. Rusland).

Terloops maken we ook even melding van een arrest van het EHRM van 7 maart 2019 in de zaak Abdullayev t. Azerbeidzjan.
lees meer
Beroepsverbod kan ook opgelegd worden aan een rechtspersoon Artikel 7bis Strafwetboek somt de straffen op die kunnen worden opgelegd aan een rechtspersoon.

Die opsomming is echter niet volledig, zo blijkt uit een arrest van het Hof van Cassatie van 30 april 2019 (P.18.1265.N). Ook straffen die in bijzondere strafwetgeving zijn opgenomen, kunnen op rechtspersonen toepasselijk zijn en een voorbeeld daarvan is het beroepsverbod dat op basis van de wet beroepsuitoefeningsverbod kan worden opgelegd.
lees meer
Aangehoudene wiens overlevering n.a.v. een Europees aanhoudingsbevel wordt uitgesteld, moet niet noodzakelijk gedetineerd blijven In een arrest van 28 mei 2019 stelt het Grondwettelijk Hof vast dat artikel 20, §§ 2, 3 en 4, van de wet van 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel het gelijkheidsbeginsel schendt "in zoverre het aan de personen die krachtens een uitvoerbaar verklaard Europees aanhoudingsbevel in hechtenis worden gehouden en wier overlevering aan de uitvaardigende Staat wordt uitgesteld met toepassing van artikel 24 van de wet van 19 december 2003, opdat in België vervolging kan worden ingesteld wegens een ander feit dan dat waarop het Europees aanhoudingsbevel betrekking heeft, niet de mogelijkheid biedt om te verzoeken om hun voorwaardelijke invrijheidstelling of om hun invrijheidstelling tegen borgstelling, noch om... lees meer Verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling mag per fax worden ingediend In een arrest van 3 september 2019 (P.19.0911.N) heeft het Hof van Cassatie verduidelijkt dat een verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling mag worden ingediend per fax. Weliswaar moet er zekerheid zijn dat het verzoek uitgaat van de verzoeker of zijn raadsman, maar die zekerheid vereist niet dat het verzoekschrift een originele handtekening bevat van de verzoeker of zijn raadsman. lees meer Vanop privaat terrein foto's nemen van een binnenkoer die aan het straatzicht is onttrokken, kan niet zonder toestemming onderzoeksrechter In een recent arrest (12 februari 2019, P.18.1037.N) heeft het Hof van Cassatie verduidelijkt dat wanneer de politie vanop privaat terrein foto's neemt van de binnenkant van een woning of van aanhorigheden bij deze woning die niet zichtbaar zijn vanop straat (of vanop andere openbare terreinen), daarvoor toestemming van de onderzoeksrechter vereist is. lees meer De verjaring van de strafvordering uitgeklaard In dit boek wordt de complexe materie van de verjaring van de strafvordering op een duidelijke wijze in kaart gebracht. De verschillende facetten van de berekening van de verjaring worden besproken vanuit een ‘stappenplan’ om tot een correcte berekening te komen. De handige bijlagen bieden een schematisch overzicht van de essentiële elementen van die stappen, rekening houdend met de verschillende verjaringsregimes die van toepassing waren doorheen de tijd. Een onmisbaar werkinstrument dus voor advocaten, parketmagistraten en rechters. lees meer Deadline pilootarrest internering is verstreken Vandaag is het exact twee jaar geleden dat het pilootarrest W.D. tegen België van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) definitief is geworden. In dat arrest werd ons land veroordeeld voor de wijze waarop geïnterneerden worden behandeld in de Belgische gevangenissen. Er werd een termijn van twee jaar voorzien om orde op zaken te stellen en die termijn is nu dus voorbij.

Wij maken van de gelegenheid gebruik om de inhoud van het arrest W.D. nog even in herinnering te brengen, maar ook om stil te staan bij de figuur van het pilootarrest. En uiteraard kijken we ook even naar de huidige stand van zaken en het standpunt van het...
lees meer
Venet t. België: laattijdige oproeping voor zitting Hof van Cassatie schendt art. 5.4 EVRM Bij arrest van 22 oktober 2019 (Venet t. België) werd ons land veroordeeld wegens een schending van artikel 5.4 EVRM.

In casu ging het om een inverdenkinggestelde die cassatieberoep had aangetekend tegen de handhaving van zijn aanhouding door de kamer van inbeschuldigingstelling, maar niet aanwezig kon zijn ter zitting van het Hof van Cassatie door de laattijdige ontvangst van de oproeping.
lees meer
Hof van Cassatie bevestigt onmiddellijke werking soepelere procedurewet In een arrest van 5 februari 2019 (P.18.0793.N) heeft het Hof van Cassatie bevestigd dat een soepelere procedurewet onmiddellijk van toepassing is op alle hangende zaken.

Op zich lijkt dat niet verrassend, ware het niet dat het Grondwettelijk Hof in een arrest van 8 november 2018 (nr. 153/2018) nog aangaf dat de door de politiediensten en de vervolgende instanties na te leven regels betreffende de bewijsvoering van de schuld van een persoon, in beginsel niet in het nadeel van die persoon mogen worden gewijzigd met terugwerkende kracht (overweging B.24.4).
lees meer
Stafrecht geannoteerd 2021 Deze nieuwe editie van de wetboeken strafrecht van Die Keure is bijgewerkt tot en met 1 oktober 2021 en bundelt zoals steeds het ‘Strafwetboek’, het ‘Wetboek van Strafvordering’ en een aantal relevante bijzondere wetten. Aan het wetboek werd gewerkt door heel wat auteurs, waaronder ook Joachim Meese. lees meer Strafrecht geannoteerd 2018 Editie 2018 van het alom bekende en gebruikte wetboek Strafrecht geannoteerd. Deze editie is bijgewerkt tot en met 1 oktober 2018 en bundelt zoals steeds het ‘Strafwetboek’, het ‘Wetboek van Strafvordering’ en een aantal relevante bijzondere wetten. lees meer Grondwettelijk Hof stelt nieuwe schending Grondwet vast inzake voorrecht van rechtsmacht In een zaak behandeld door ons kantoor heeft het Grondwettelijk Hof bij arrest van 24 september 2020 (nr. 124/2020) nog maar eens een schending van de Grondwet vastgesteld met betrekking tot het voorrecht van rechtsmacht.

De uitspraak kwam er naar aanleiding van drie prejudiciële vragen gesteld door het Hof van Cassatie bij arrest van 26 november 2019.
lees meer
Toezeggingen aan criminelen in ruil voor verklaringen in België Op 22 en 23 november 2019 vindt te Brugge de jaarlijkse bijeenkomst van de Vereniging voor de vergelijkende studie van het recht van België en Nederland plaats. In de afdeling strafrecht van de vereniging zal het (zowel in België als in Nederland actuele) thema van de spijtoptant worden besproken.

Het preadvies aan Vlaamse kant werd geschreven door Joachim Meese en bevat onder meer een kritische analyse van de Belgische wettelijke regeling inzake spijtoptanten.
lees meer
Dzivev e.a.: verplichting om btw-inbreuken doeltreffend te bestrijden verzet zich niet tegen uitsluiting onrechtmatig verkregen bewijs In de zaak Dzivev en andere (C-310/16) heeft het Hof van Justitie op 17 januari 2019 een interessant arrest uitgesproken over de uitsluiting van onrechtmatig verkregen bewijs in fiscale strafzaken. In dit geval ging het om een onwettige beslissing tot telefoontap.

Het Hof stelt in essentie vast dat de lidstaten weliswaar moeten zorgen voor een daadwerkelijke bestrijding van inbreuken op de btw-wetgeving, maar dat dit niet verhindert dat onrechtmatig verkregen bewijs wordt uitgesloten, ook al is dat het enige bewijs op grond waarvan de verdachte kan worden veroordeeld.
lees meer
Potpourri II: een overzicht van de belangrijkste wijzigingen op vlak van strafprocesrecht De potpourri II-wet omvatte heel wat wijzigingen aan het materieel en formeel strafrecht en sommige daarvan zijn erg ingrijpend. In een bijdrage van de hand van Joachim Meese die verschenen is in aflevering 40 van jaargang 79 van het Rechtskundig Weekblad wordt een overzicht gegeven van de belangrijkste wijzigingen op vlak van strafprocesrecht. lees meer Dataretentie: het hof van justitie waakt over onze privacy In nummer 41 van jaargang 80 van het tijdschrift Rechtskundig Weekblad verscheen een kanttekening van Joachim Meese over dataretentie door telecomoperatoren. Daarbij gaat het over het bewaren en opvragen van gegevens (‘metadata’) van telecommunicatie. Uit die gegevens kan heel wat informatie worden gehaald, zoals het tijdstip en de duur van telefoongesprekken, de bestemmeling ervan en zelfs het surfgedrag. lees meer Adamčo t. Slowakije: onvolkomen rechterlijke controle op getuigenbewijs afkomstig van spijtoptant schendt recht op eerlijk proces Het arrest in de zaak Adamčo t. Slowakije (EHRM 12 november 2019) is interessant omdat het Hof zich daarin onder meer uitspreekt over de gevolgen van het gebruik van een belastende verklaring afgelegd door een getuige die hiervoor als medebeklaagde zelf voordelen heeft genoten bij zijn eigen vervolging. Of eenvoudiger uitgedrukt: een spijtoptant.

Bij onze bespreking van dit arrest komen wij tot het besluit dat Belgische zaken waarin verklaringen van getuigen worden gebruikt die hiervoor voordelen hebben bekomen buiten de Belgische algemene spijtoptantenregeling om, tot heel wat discussie aanleiding lijken te kunnen geven in de toekomst.
lees meer
De burgerlijke rechtsvordering voor de strafrechter In het kader van een studienamiddag die de Universiteit Antwerpen heeft georganiseerd op 30 november 2017, schreef Joachim Meese een bijdrage over de burgerlijke rechtsvordering voor de strafrechter. Deze bijdrage is opgenomen in het verslagboek dat uitgegeven werd door Intersentia. lees meer Hoger beroep door het openbaar ministerie bij het appelgerecht In een arrest van 23 oktober 2018 heeft het Hof van Cassatie gezorgd voor meer duidelijkheid over de wijze waarop het openbaar ministerie bij het appelgerecht hoger beroep moet instellen. De eiser in cassatie, vertegenwoordigd en bijgestaan door ons kantoor, had aangevoerd dat het hoger beroep door het openbaar ministerie bij het appelgerecht onontvankelijk had moeten worden verklaard omdat de akte van betekening van het hoger beroep met daarin de opgave van de grieven niet binnen de beroepstermijn ter griffie was neergelegd. Het Hof van Cassatie volgde deze redenering en vernietigde de bestreden beslissing: wanneer het openbaar ministerie hoger beroep aantekent op de wijze bedoeld in art. 205 van het... lees meer Weigering om getuige à décharge te horen vereist concrete motivering Over de verplichting van de vonnisrechter om getuigen à charge te horen wanneer de beklaagde daarom verzoekt, is het standpunt van de rechtspraak ondertussen genoegzaam bekend. Gaat het echter om een vraag tot het horen van een getuige à décharge, dan is de toestand iets anders.

Een arrest van 26 februari 2019 van het Hof van Cassatie (P.18.1028.N) brengt daarover nu verheldering.
lees meer
Herroeping probatie-uitstel mag anders geregeld zijn dan sanctionering bij niet-uitvoering autonome probatiestraf In een arrest van 31 januari 2019 (nr. 12/2019) heeft het Grondwettelijk Hof vastgesteld dat art. 14, § 2, van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie, het gelijkheidsbeginsel niet schendt.

De uitspraak kwam er op prejudiciële vraag gesteld door het Hof van Cassatie. In die vraag werd het onderscheid aan de kaak gesteld tussen de regeling tot herroeping van probatie-uitstel enerzijds en de sanctionering bij niet-uitvoering van een autonome probatiestraf anderzijds.
lees meer
Theory and practice of the European Convention on Human Rights Begin 2018 verscheen de vijfde editie van het legendarische boek Theory and Practice of the European Convention on Human Rights, een internationaal standaardwerk inzake mensenrechten in Europa. Aan deze editie werd gewerkt door vele gezaghebbende auteurs in dat domein. lees meer Afkopen kan, maar vereist daadwerkelijke rechterlijke controle In aflevering 4 van jaargang 2016 van het tijdschrift Nullum Crimen verscheen een noot van Joachim Meese onder het arrest van 2 juni 2016 van het Grondwettelijk Hof (nr. 83/2016), waarin beslist werd dat de minnelijke schikking ongrondwettig is “in zoverre het het openbaar ministerie machtigt om via een minnelijke schikking in strafzaken een einde te maken aan de strafvordering nadat de strafvordering is ingesteld, zonder dat een daadwerkelijke rechterlijke controle bestaat”. lees meer Ook hoger beroep tegen de beslissing die het verzet als gedaan beschouwt, maakt grond van de zaak aanhangig In een arrest van 26 september 2019 zegt het Grondwettelijk Hof dat artikel 187, §9, 2e lid van het Wetboek van Strafvordering de Grondwet schendt "in zoverre het niet bepaalt dat een hoger beroep tegen de beslissing die het verzet als gedaan beschouwt, inhoudt dat de grond van de zaak aanhangig wordt gemaakt bij de rechter in hoger beroep wanneer die laatste het verzet voor het eerst ongedaan verklaart in hoger beroep".

Wij geven wat toelichting bij deze beslissing.
lees meer
Cassatie stelt prejudiciële vraag over bestraffing onopzettelijke doding bij verkeersongeval In een arrest van 27 oktober 2020 heeft het Hof van Cassatie het verschil in bestraffing van onopzettelijke doding in verkeerscontext in vergelijking met andere vormen van onopzettelijke doding voorgelegd aan het Grondwettelijk Hof. lees meer Europees aanhoudingsbevel en detentie-omstandigheden In een  belangrijk arrest van 15 oktober 2019 (zaak C-128/18, Dumitru-Tudor Dorobantu), heeft de Grote Kamer van het Hof van Justitie zich uitgesproken over de vraag in welke mate bij de beslissing of de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel moet worden geweigerd, rekening moet worden gehouden met de detentie-omstandigheden in het land dat het Europees aanhoudingsbevel heeft uitgevaardigd. Ook de minimale ruimte waarover de gedetineerde in de cel moet kunnen beschikken, komt daarbij aan bod. lees meer Duitse parketmagistraat onvoldoende onafhankelijk om Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen In twee belangrijke arresten van 27 mei 2019 heeft het Hof van Justitie zich uitgesproken over het uitvaardigen van een bevel tot aanhouding door een magistraat van het parket. Daar waar in België over het uitvaardigen van een (Europees) bevel tot aanhouding wordt beslist door een onderzoeksrechter, gebeurt dat in sommige landen door een magistraat van het openbaar ministerie. Daarvan zegt het Hof van Justitie dat dit niet altijd verenigbaar is met de vereisten van het Unierecht, namelijk wanneer er onvoldoende waarborgen zijn dat de betrokken parketmagistraat de beslissing volstrekt onafhankelijk kan nemen.

Deze arresten hebben uiteraard grote gevolgen voor alle lopende zaken waarin Belgische onderzoeksgerechten (en ook buitenlandse gerechtelijke autoriteiten)...
lees meer
De zuivering der nietigheden: een joint dissenting opinion Naar aanleiding van het emeritaat van buitengewoon hoogleraar en barones Chris Van den Wyngaert, werd haar eind 2017 een liber amicorum overhandigd. Joachim Meese, die in 2010 in haar voetsporen trad als professor strafprocesrecht aan de Universiteit Antwerpen, schreef daarin een bijdrage met als titel “de zuivering der nietigheden: een joint dissenting opinion“. lees meer Minnelijke schikking en vermoeden van onschuld In een arrest van 5 september 2019 deed het Hof van Justitie een interessante uitspraak over het vermoeden van onschuld. Met name werd beslist dat artikel 4, 1e lid van de richtlijn 2016/343 “zich niet ertegen verzet dat een schikking waarin de verdachte in ruil voor strafvermindering zijn schuld erkent, die door een nationale rechter moet worden goedgekeurd, uitdrukkelijk als mededaders van het betrokken strafbare feit niet alleen die verdachte vermeldt, maar ook andere verdachten die hun schuld niet hebben erkend en worden vervolgd in het kader van een afzonderlijke strafprocedure, op voorwaarde dat ten eerste die vermelding noodzakelijk is voor de kwalificatie van de juridische aansprakelijkheid van de persoon die deze... lees meer Grondwettelijk Hof vernietigt de wet digitale recherche gedeeltelijk In een arrest van 6 december 2018 (nr. 174/2018) heeft het Grondwettelijk Hof de wet van 25 december 2016 "houdende diverse wijzigingen van het Wetboek van strafvordering en het Strafwetboek, met het oog op de verbetering van de bijzondere opsporingsmethoden en bepaalde onderzoeksmethoden met betrekking tot internet en elektronische en telecommunicaties en tot oprichting van een gegevensbank stemafdrukken" gedeeltelijk vernietigd. lees meer Wie zal dat betalen ...? De rechtsplegingsvergoeding ont(k)leed Dit boek biedt een volledig overzicht biedt van alle aspecten van de rechtsplegingsvergoeding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding in strafzaken. lees meer The use of illegally obtained evidence in criminal cases: a brief overview Nadat Joachim Meese in 2016 de Belgische rechtspraak in verband met het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijs aan een kritische analyse heeft onderworpen in zijn bijdrage voor het verslagboek van de cyclus Willy Delva, schreef hij een rechtsvergelijkende analyse over datzelfde onderwerp. De situatie in verschillende (vooral Angelsaksische georiënteerde) landen komt daarin aan bod, met bijzondere aandacht voor de Verenigde Staten, dat als bakermat van de zogenaamde exclusionary rule kan worden beschouwd. Ook de rechtspraak van het EHRM (Europees Hof voor de Rechten van de Mens) wordt in de analyse betrokken. Het artikel werd geschreven voor het internationale tijdschrift Era Forum en is zowel in papieren versie als in elektronische versie gepubliceerd. lees meer De rechtsmiddelen verzet en hoger beroep: actualia In 2017 gaf Joachim Meese samen met prof. dr. Philip Traest een lezing over de rechtsmiddelen verzet en hoger beroep in strafzaken ter gelegenheid van de XLIIste Postuniversitaire Cyclus Willy Delva. Ondertussen is het verslagboek van deze prestigieuze cyclus verschenen bij uitgeverij Wolters Kluwer. Het is een bijzonder lijvig boek geworden met niet minder dan 16 interessante bijdragen over strafrechtelijke thema’s. In de tekst die Joachim Meese samen met zijn collega aan de Gentse universiteit Philip Traest heeft geschreven, worden de rechtsmiddelen verzet en hoger beroep aan een kritische analyse onderworpen. lees meer Burgerlijke partij die hoger beroep aantekent tegen buitenvervolgingstelling kan veroordeeld worden tot rechtsplegingsvergoeding In een arrest van 22 november 2018 (nr. 159/2018) heeft het Grondwettelijk Hof zich nog maar eens uitgesproken over de rechtsplegingsvergoeding in strafzaken.

Het Hof komt tot het besluit dat de ontstentenis van een wetsbepaling die de kamer van inbeschuldigingstelling toelaat een rechtsplegingsvergoeding ten laste te leggen van de burgerlijke partij die, zonder daarin te worden voorafgegaan of gevolgd door het openbaar ministerie, hoger beroep instelt tegen een beschikking van de raadkamer tot buitenvervolgingstelling gewezen op een strafvordering ingesteld door het openbaar ministerie en die daarbij in het ongelijk wordt gesteld, in strijd is met het gelijkheidsbeginsel.

Aangezien deze lacune is uitgedrukt in voldoende nauwkeurige en volledige bewoordingen, staat het aan de...
lees meer
Duiding Strafrecht 2018 In de reeks Duiding is zopas de derde editie verschenen van het boek Duiding Strafrecht. Het boek biedt een volledige bespreking van alle artikelen uit het Strafwetboek en de belangrijkste bijzondere wetgeving.

De teksten zijn van de hand van een hele reeks eminente strafrechtspecialisten, zowel magistraten, academici als advocaten.

De hoofdredactie was opnieuw in handen van Martine De Busscher, Joachim Meese, Dirk Van Der Kelen en Johan Verbist.
lees meer
Duiding drugs - praktijkgids 2016 Het fenomeen drugs blijft vele vragen oproepen. De wetgeving is complex en het handhavingsbeleid van de overheid niet voor iedereen even duidelijk. De Praktijkgids Duiding Drugs 2016 is een volledig herziene en herwerkte versie van het boek “Drugwetgeving” uit 2012. Het resultaat is een zeer  compleet werk geworden, waarbij de lezer niet alleen een breed inzicht krijgt in de actuele Belgische drugwetgeving, maar ook in het meest recente beleid inzake de opsporing en vervolging van drugs. Aan het boek werd meegewerkt door heel wat auteurs, waaronder ook Joachim Meese. lees meer Kan een verdachte gedwongen worden een smartphone of pc te ontgrendelen? Gelezen in HUMO: VRT-journalist Bart Aerts over de huiszoeking waarbij zijn iPhone in beslag werd genomen: “Ze hebben mij in Brugge gevraagd om mijn toegangscode en pincode op een papiertje te schrijven. Uiteindelijk heb ik mijn toegangscode gegeven. Ik was murw, ik had al die tijd niets gegeten. Ik dacht: ‘anders blijft het hier maar duren’. (…) Het gebeurde onder lichte dwang. Ze zeiden dat een team van specialisten er hoe dan ook in zou slagen mijn iPhone uit te lezen.” Hoe zit het nu eigenlijk met het uitlezen van smartphones en andere digitale apparaten in strafzaken en vooral: kan een verdachte verplicht worden om het toestel te ontgrendelen of... lees meer