Criminis. Uw licht in het strafrecht. meer snelnieuws EHRM 12 november 2019, Adamčo t. Slowakije Criminis. Uw licht in het strafrecht. meer snelnieuws EHRM 12 november 2019, Adamčo t. Slowakije

Criminis. Uw licht in het strafrecht. meer snelnieuws EHRM 12 november 2019, Adamčo t. Slowakije Criminis. Uw licht in het strafrecht. meer snelnieuws EHRM 12 november 2019, Adamčo t. Slowakije

Adamčo t. Slowakije: onvolkomen rechterlijke controle op getuigenbewijs afkomstig van spijtoptant schendt recht op eerlijk proces

15 NOVEMBER 2019

Het arrest in de zaak Adamčo t. Slowakije (EHRM 12 november 2019) is interessant omdat het Hof zich daarin onder meer uitspreekt over de gevolgen van het gebruik van een belastende verklaring afgelegd door een getuige die hiervoor als medebeklaagde zelf voordelen heeft genoten bij zijn eigen vervolging. Of eenvoudiger uitgedrukt: een spijtoptant.

Feitelijke achtergrond

De feiten die aan de zaak ten grondslag liggen, zijn de volgende. Verzoeker Adamčo wordt vervolgd omdat hij een huurmoordenaar heeft bijgestaan bij het uitvoeren van een opdracht door hem te voeren naar en terug te brengen van de plaats van de moord (op een zekere K.). In eerste instantie werd Adamčo vrijgesproken. Tegen die vrijspraak werd echter opgekomen door het openbaar ministerie waardoor de vrijspraak werd vernietigd. In het kader van die procedure werd een getuige (M.) gehoord. Deze getuige legde vijf verklaringen af waarin hij telkens ontkende ook maar iets met de moord te maken te hebben gehad of er iets over te weten.

In een later verhoor echter, ditmaal opnieuw in eerste aanleg, wijzigde M. zijn eerdere verklaringen en stelde hij dat de moord werd gepleegd door Adamčo en dat hijzelf de chauffeur was in plaats van Adamčo. Op grond daarvan werd de kwalificatie van de aan Adamčo ten laste gelegde feiten gewijzigd. Op 28 juni 2007 werd hij veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 jaar. Tegen die veroordeling werd hoger beroep aangetekend. In graad van beroep betwistte Adamčo de betrouwbaarheid van de verklaring van M., stellende dat M. zijn gewijzigde verklaring louter heeft afgelegd omdat hij in ruil daarvoor straffeloosheid bekwam van het openbaar ministerie in een andere moordzaak (op slachtoffer O.). De veroordeling van Adamčo werd niettemin bevestigd bij beslissing van 11 november 2008, al werd de straf wel gereduceerd tot 25 jaar. Om tot dat besluit te komen, werd er onder meer op gewezen dat de verklaring van M. ondersteund werd door andere bewijsgegevens en dat M. geen voordelen zou hebben bekomen aangezien zijn vervolging in de zaak K. enkel werd uitgesteld. Verdere procedures voor het Hooggerechtshof en het Grondwettelijk Hof brachten voor Adamčo geen soelaas.

Beoordeling door het EHRM

Wat de feiten betreft, stelt het EHRM vast dat M. inderdaad op 27 oktober 2005 in verdenking werd gesteld wegens moord op O., maar dat dit onderzoek op een niet nader bepaalde datum werd afgesloten (randnr. 23 van het arrest). Daarnaast werd M. ook vervolgd als mededader in de zaak K., maar die vervolging werd door het openbaar ministerie stopgezet op 10 mei 2010, dus na de veroordeling van Adamčo in graad van beroep. Deze stopzetting werd (onder verwijzing naar artikel 215, §3 van het wetboek van strafvordering van Slowakije) gesteund op de vaststelling dat M. substantieel had bijgedragen tot het aan het licht brengen van een ernstig misdrijf en tot de bestraffing van de dader ervan. Ook een vervolging op grond van een klacht wegens meineed werd stopgezet door het openbaar ministerie.

Het Hof verwijst vooreerst naar de principes uiteengezet in de zaak Habran & Dalem t. België (EHRM 17 januari 2017). In die zaak werd geen schending van het recht op een eerlijk proces vastgesteld. Wat de feiten van de zaak Adamčo betreft, stelt het Hof vast dat er weliswaar ander bewijs was, maar dat het om indirect bewijs ging. De verklaring M. wordt daarom beschouwd als doorslaggevend belastend bewijs (randnr. 58). Net zoals in de zaak Habran & Dalem, wijst het Hof er op dat verklaringen van spijtoptanten met de grootste omzichtigheid moeten worden benaderd, omwille van het risico op onbetrouwbaarheid en manipulatie (randnr. 59). Het gebruik van dergelijke verklaringen kan dan ook twijfel doen rijzen over de eerlijkheid van het proces. Verder stelt het Hof vast dat de argumentatie van Adamčo over de verklaringen van M. enkel werd ontmoet in graad van beroep, maar niet meer in het kader van de latere procedures voor het Hooggerechtshof en het Grondwettelijk Hof (randnr. 63). Het antwoord in graad van beroep wordt door het Hof echter gebrekkig bevonden, omdat het gedeeltelijke feitelijk onjuist en in elk geval onvolledig is (randnrs. 65-67). Verder wordt vastgesteld dat nergens uit blijkt dat bij de beoordeling van de bewijswaarde van de verklaring van M., rekening werd gehouden met het feit dat M. zelf betrokken was bij de feiten. Dit terwijl hoe groter het voordeel is dat een getuige bekomt voor het afleggen van een verklaring, hoe voorzichtiger er moet worden omgesprongen met die verklaring als bewijs (randnr. 69). Tot slot wijst het Hof er ook nog op dat alle beslissingen met betrekking tot de vervolging van M. werden genomen door het openbaar ministerie, zonder enige vorm van rechterlijke controle (randnr. 70).

Op basis van deze vaststellingen komt het Hof tot het besluit dat het recht op een eerlijk proces is geschonden, aangezien het gebruik van de verklaring van M. als belastend bewijs niet gepaard is gegaan met de vereiste compenserende waarborgen (randnr. 71).

Impact op de Belgische spijtoptantenregeling

In mijn recent verschenen publicatie ‘Toezeggingen aan criminelen in ruil voor verklaringen in België‘, kom ik onder meer tot het besluit dat de introductie van een algemene spijtoptantenregeling tot gevolg zou moeten hebben dat het openbaar ministerie niet langer toezeggingen mag doen op vlak van de uitoefening van de strafvordering, de strafuitvoering of de hechtenis buiten het kader buiten de bestaande regeling om (p. 145). Dergelijke vormen van toezegging kennen namelijk geen transparantie (de verdediging noch de rechter kunnen dus inschatten wat het voordeel is geweest voor de getuige, als ze er al kennis van hebben) en bovendien is er dan ook geen sprake van een geringere bewijswaarde van de verklaring, in tegenstelling tot de verklaring van een formele spijtoptant.

In het licht van het arrest Adamčo lijkt dat besluit nog moeilijk weerlegbaar. Zaken waarin verklaringen van getuigen worden gebruikt die hiervoor voordelen hebben bekomen buiten de algemene spijtoptantenregeling om, lijken dan ook tot heel wat discussie aanleiding te kunnen geven.

Deel dit bericht

Met Criminis snelnieuws proberen we u zo snel mogelijk in kort bestek op de hoogte te brengen van nieuwe evoluties in het strafrecht.

Hebt u zelf nieuws dat hiervoor in aanmerking komt?

Laat het ons weten